vrijdag 27 augustus 2021
maandag 19 april 2021
woensdag 23 september 2020
‘Daar is niks mis mee’
Over de twee extremen in de huidige advaita,
met methodes, oneliners en vallende kwartjes
In veel gevallen van onmin binnen het moderne advaita-milieu wordt over het hoofd gezien dat de kern van alle non-dualistisch onderricht door de eeuwen heen altijd al neerkwam op het volgende:
“Jij bent altijd al, ja altijd al, bevrijd, ontwaakt en verlicht.”
Adi-boeddha heette dit, zowel in vedantische alsook enkele boeddhistische vormen van non-dualisme. Adi-boeddha wil zeggen dat verlichting nooit niet is geweest, omdat er niet een oorsprong van valt aan te wijzen. ‘Verlicht’ is wat je altijd al bent, want jij bent niet geboren, en Kennend Licht oftewel Bewustzijn is altijd al het geval. Het is a priori.
De zesde-eeuwse tekst Gaudapada Karika, die beschouwd kan worden als de oorsprong van de Advaita Vedanta, zegt dan ook onomwonden:
“De ware natuur van alle als fenomeen opmerkbare wezens is net zo beginloos als het luchtruim. Je kunt daar geen verschillen constateren, of veelvoud. Alle wezens zijn klaarblijkelijk al verlicht ‘vanaf het allereerste begin’ (adi-boeddha)” [vers IV.91-92].
Sommige mensen zeggen dat dit alles is, en dat we het dus verder niet meer hoeven te hebben over het ‘bereiken’ van verlichting. In het huidige tijdperk komt dit steeds vaker voor. Zulke mensen noemen dit dan bijvoorbeeld ‘het kwartje is gevallen’, of gebruiken een andere oneliner. Vaak ook zeggen zij iets als ‘ik ben er niet’, wat de zaak nog eenvoudiger maakt. Het idee dat er door de eeuwen heen in alle non-dualistische tradities gesproken is over een jarenlang onderricht en de noodzaak van een zekere beoefening of training, is vanuit de blik van iemand die ‘er niet is’ uiteraard volslagen onzinnig.
Dit is een van de twee extremen (vaak door anderen ‘neo-advaita’ genoemd) die de polen vormen binnen de moderne advaita vedanta. Het andere extreem vormt de groep die ik hier voor het gemak aanduid als de ‘methodische vedanta’. Advaita vedanta wordt hierin aangeboden als een soort cursus, helemaal gebaseerd op ‘knowledge’ – wát er dan ook maar precies met dit Engelse woord wordt bedoeld behalve de knowledge die in deze benadering vaak ‘vedisch’ wordt genoemd. ‘Ervaring’ (experience) wordt in deze contreien geschuwd als een zeer foutief woord, en zelfs het directe in het onderricht blijkt niet helemaal de bedoeling.* De shruti, dat wil zeggen de ‘onfeilbare woorden’ in Veda’s en Upanishads, daar draait alles om.
Wat mij betreft gaat het om een middenweg. Ik beschouw de beide genoemde extremen als ‘uit het midden geraakt’. De eerste doet aan te weinig, want is geheel onvolledig, en de tweede doet aan teveel, want is doorgeslagen.
Zoals gezegd, het altijd-al-verlicht-zijn blijft het uitgangspunt. Maar wat moet je doen als je dit verlicht-zijn niet kunt opmerken? Want allerlei vormen van fascinatie hebben er bij vrijwel ieder mens voor gezorgd dat het zicht op zijn ware natuur, de in ieder mens aanwezige ‘boeddha-natuur’ of ‘verlichtings-natuur’, versluierd is geraakt. Elk onderricht draait eigenlijk om het doorzien van deze versluieringen – althans, dit geldt natuurlijk slechts voor zover iemand erkent dat er nog versluieringen van zijn zicht optreden. Bij de ontkenning daarvan is er natuurlijk geen noodzaak meer tot enig spreken, laat staan onderricht.
Verschil van mening over het idee dat bevrijding bestaat en dat er een ‘weg’ zou zijn om bevrijding deelachtig te worden, komt wat mij betreft vooral neer op misverstand rondom begrippen. ‘Kennis’, ‘ervaring’, ‘training’, ‘bewustzijn’, ‘direct’, ‘weg’: al die woorden zijn volkomen afhankelijk van ieders interpretatie ervan.
Dus zodra mensen beweren dat er ook nog een zekere ‘beoefening’ of ‘training’ noodzakelijk is, hangt het er wel vanaf wat ze daarmee bedoelen.
Er zijn twee mogelijkheden:
1. Je traint naar iets toe. Om ergens te komen of iets te bereiken, namelijk bevrijding.
2. Je traint vanuit iets. Niet om ergens te komen, maar als een natuurlijk vervolg op een eerste herkenning van je ware natuur. Je voelt dat het éénmaal herkennen van je ware natuur niet ‘het einde’ is en dat de herkenning nog een zekere gewenning behoeft om in te kunnen dalen in je hele systeem. Je traint vanuit het reeds herkende ‘zien zelf’.
Ik beschouw dit als twee volledig verschillende zaken, die wel helder uit elkaar gehouden zouden mogen worden. Als iemand er het eerste mee bedoelt, ben ik het eens met de ‘kwartje-viel’-benadering waarin gezegd wordt dat er helemaal niet iets is om naartoe te gaan, omdat jij dat al die tijd al bent. Ergens naartoe gaan en ergens voor studeren betekenen gauw dat er geen oog meer is voor het onmiddellijke. En wat mij betreft is het onmiddellijke oftewel directe juist een van de kernpunten van non-dualiteit. Als je altijd al, en dus ook vanaf je geboorte, verlicht bent – althans in potentie – dan kan de realisatie daarvan, het daadwerkelijk verwerkelijken ervan, uiteraard alleen maar onmiddellijk zijn. Daar kan geen weg naartoe zijn. Geen uitstel, geen cursus of methode, geen enkel medium of middel kan daartoe als een hulp dienen.
Maar om meteen te claimen dat de realisatie al zodanig is ingedaald dat er geen enkele vorm van verwarring meer opkomt, zie ik als een valkuil van de andere zijde – de nadruk op ‘helemaal niemand hier’. Een niet-iemand die zich op de niet-bestaande borst klopt. De verwarring die je bij zo iemand nog kunt zien optreden, wordt dan vaak met de uitspraak ‘maar ook daar is niks mis mee’ beantwoord. Steeds blijkt bij mensen van de ‘oneliner-advaita’ dat elke beweging, elk detail, haastig vergezeld gaat van deze gouden uitspraak ‘daar is niks mis mee’.
Het is trouwens een heel opvallend fenomeen dat aan beide zijden, in beide extremen, een nadruk blijft liggen op redeneren.
Aan de ene zijde, de zogenaamde neo-advaita, blijkt in de redenering een hoofdrol weggelegd te zijn voor het niet-bestaan van vrije wil. Er wordt een weten omtrent het niet-bestaan van vrije wil aan de dag gelegd, waarbij in het bespreken van talloze onderwerpen de conclusie steeds op hetzelfde neerkomt, namelijk ‘dat ik daar niets aan kan doen, omdat het gewoon gebeurt zoals het gebeurt’. Ik zou dan zeggen: ‘Oké, dan zijn we uitgepraat, want taal vervalt hier’, maar je ziet dezelfde mensen steeds opnieuw ditzelfde blijven zeggen en zelfs een gehoor ervoor uitnodigen.
Aan de andere zijde word je snel overspoeld met argumenten die stammen uit het India van minstens drie eeuwen geleden. Het blijkt herhaaldelijk om ‘onfeilbare teksten’ te gaan, en vandaaruit wordt dan geredeneerd. Nee, dat levert in het algemeen niet iets op dat ik als echt intelligent ervaar. Veel in deze rigide benadering vind ik eerlijk gezegd een vorm van fundamentalisme. Met iemand praten die uitgaat van dogma’s, met ‘onfeilbaarheden’, dat is voor mij vrij gauw onmogelijk.
Maar wat wel meteen hierna gezegd moet worden is dat ik zelf de aandacht voor de schriftelijke traditie heel waardevol vind. En ook moet ik erbij zeggen dat ik bij mijn huidige vertaalwerk van het advaita-geschrift Viveka Chudamani veel heb gehad aan het commentaar van Swami Dayananda, die een van de belangrijkste figuren was uit de ‘methodische’ advaita. Een aantal details heeft hij me op een wel degelijk intelligente manier helpen verduidelijken, waar ik hem oprecht dankbaar voor ben. Maar dat is allemaal via het geschreven woord. Dan is de nauwgezette aandacht voor traditie echt op zijn plaats, want het kan allerlei vaagheden tot helderheid brengen. Wat het mondelinge onderricht betreft is dit tot helderheid brengen uiteraard precies zo de hoofdzaak, maar het verloopt gewoon veel onbegrijpelijker. Dan kom je in aanraking met het wonder. Oog in oog met elkaar wordt het meteen een heel andere manier van doen. Het ware onderricht is wat mij betreft altijd mondeling onderricht, en dit is per definitie direct onderricht. Nooit is het een methode. Het draait altijd om het natuurlijke contact – de enige gelegenheid waarbij je ‘als vanzelf’ op blinde vlekken gewezen kunt worden. Een methodische behandeling van geschriften is in de meeste gevallen niet zo geschikt om binnen te brengen in dit directe onderricht; het kan heel vertragend werken. Wel kun je pratend uiteraard van alles erbij halen, ook tekstdetails die ertoe doen, zeker, maar niet ten koste van het onmiddellijke contact, het oog in oog staan. Oog in oog met het mysterie, dat wil zeggen zo min mogelijk redenerend, want de kern van de zaak heeft nét niet met een argument te maken.
Of er wel of niet zoiets is als vrije wil, kun je volgens mij niet weten. Niet voor niets zei Ramana Maharshi in zijn Veertig verzen:
“Degenen die discussies voeren over wat uiteindelijk de doorslag geeft, lotsbestemming of vrije wil, hebben geen weet van de Bron van zowel lot als vrije wil. Zij die het Zelf kennen als de Bron van lot en vrije wil, zijn vrij van beide. Zullen zij er dan nog in verstrikt kunnen raken?” [vers 19].
Alles draait wat mij betreft om het onmiddellijke Besef. Besef heeft geen enkel soort ‘wil’ nodig, geen tijd, geen enkele redenering, geen ‘kennis’ of methode. Dat alles is dan gestopt.
Er is niet iemand die Besef heeft of die in Besef te vinden is – ook ieder ‘iemand’ is gestopt. Wat evident is en nooit onvrij was, is zien zelf.
* Zo kwam ik bijvoorbeeld onlangs uitspraken tegen waarin kritiek werd geüit op het directe element in het onderricht van Atmananda (Krishna Menon). Zie: www.shiningworld.com/site/satsang/read/2700
dinsdag 25 augustus 2020
Toch kan er, na zo’n stukje over de bruiloftsgast te hebben gelezen, natuurlijk wel iets opkomen als ‘Ja, alles goed en wel, dan zie je die leegte, die afwezigheid van de ik-figuur, maar wat dan nog? Wat kan ik hiermee?’ Daar wil ik graag op ingaan. Allereerst wil ik zeggen dat noch ik, noch iemand die ik ken, eenzelfde absoluutheid aan de dag legt (of kan leggen) als Ramana Maharshi. Alle mensen die ik ken willen nog net als ik graag in een omstandigheid leven waarin een aantal dingen voldoende verzorgd zijn. Er zijn klaarblijkelijk nog steeds belangen. Ik ga er daarom ook van uit dat het bij het spreken over ‘de afwezigheid van de ik-figuur’ het beste is om niet te doen alsof ook wij net als Ramana zijn. We hebben nou eenmaal om te gaan met het reëel voelende gegeven dat we nog geïnteresseerd zijn in deze wereld, en dat er daardoor nog allerlei identificaties met de ik-figuur kunnen optreden.
Wat mij betreft gaat het om een verzwakken van de geloofwaardig-heid van deze ik-figuur (en niet om een poging tot vernietiging ervan). In Ramana’s manier van spreken IS de ik-figuur er gewoon niet, ‘want jij bent alleen maar Bewustzijn zelf’, dus lijken we daar genoeg aan te hebben. Dit is uiteindelijk wel waar, maar de echtheid ervan moet door de meeste mensen toch nog herhaaldelijk herkend worden. Vandaar dat ik zou willen spreken van de noodzaak van een tweede deel van Ramana’s bruiloftsgast-verhaal. Het blijkt namelijk dat die interessante bruiloftsgast toch weer verschijnt, zo maar, ook al had je zijn afwezigheid toch duidelijk opgemerkt! Dus dan blijkt het nog nodig om een soort training of beoefening te betrachten: herhaling van het zicht. Herhaling is dienend om gewend te raken aan dit herkennen van jezelf als louter Bewustzijn, louter Zien.
Het gaat vooral om een verschuiving van een gewenning. Door herhaaldelijk een echte onderbreking in je dagelijkse gedachtegewoontes toe te staan, met eventueel daarbij de vraag “Wie ben ik?” te stellen, kun je daadwerkelijk zien dat de ik-figuur er helemaal niet is. Je wordt op zo’n moment geconfronteerd met Werkelijkheid. Toch kan vlak erna de ik-figuur weer opdoemen. Hij heeft opeens weer een heel geloofwaardig verhaal! Je was iets vergeten, of je had iets overgeslagen, dus moet je binnenkort... Iets in het verhaal kan meteen geloofwaardig klinken. Het kan zelfs zo ver gaan dat iemand weer in een zoekbeweging terechtkomt. Alsof het altijd-aanwezige Licht weg is.
Door de vaak herhaalde herkenning van leegte, van de afwezigheid van de ik-figuur en van de aanwezigheid van vanuit-Jezelf-stralend Licht, kan het zoeken wel degelijk aan zijn eind komen. En wel door werkelijk te zien dat er niet iets te zien is, niet iemand, niet een schim, en zeker geen verhaal.
De zoekbeweging gaat eigenlijk altijd naar binnen. Het gebruikelijke gevoel is dat binnenin iets moet worden opgelost, of hersteld. Ik heb wel eens een tekening gemaakt van twee richtingen: één naar binnen en één van binnenuit naar buiten stralend.
Het verschil tussen deze twee is hier aan de orde. De moderne mens is enorm geïnteresseerd in zijn eigen psyche, zijn ‘innerlijk leven’. Daarin lijkt hij steeds zijn oplossing te willen vinden voor de ingewikkeldheden die hij meemaakt. Alle strategieën, alle methodes, zijn allemaal gebaseerd op dit ‘innerlijk leven’. Ook alle spirituele technieken en succesformules die je tegenkomt zijn gebaseerd op dit innerlijk – ‘de weg naar binnen’. Weliswaar met beloftes van beloningen in de buitenwereld, maar in feite met een sussende houding ten opzichte van dit innerlijk – dat heel vaak nog onvolwassen is gebleven, vanwege karmische restanten als hunkering en wrok. Zoeken naar bevrijding of verlichting is in bijna alle gevallen een beweging naar binnen.
Wat ik beschouw als een van de meest heilzame dingen die voortkomen uit de herkenning dat je geest, of psyche, in werkelijkheid (dat wil zeggen ‘in zijn ware natuur’) louter Kennende Leegte is, is het diepe besef dat dit neerkomt op vrede. Zodra je werkelijk kijkt, zie je namelijk dat strijd helemaal afwezig is. Er is niet iemand, en dus ook niet iemand ‘boven’ je. Vrede blijkt al het geval.
Als het echt tot je doordringt dat dit inderdaad al het geval is, door dit herhaaldelijk aan te treffen in de stilte die je toestaat, ga je leven vanuit dit, in plaats van ernaartoe. Dan zie je wat ik met dat tweede tekeningetje bedoel, waarop de pijlen naar buiten stralen. Als je de herkenning van het vanuit-Jezelf-stralende Licht helemaal gaat toestaan, als het ware van kruin tot voetzool, houdt de hele zaak op, alle kwesties van schuld en wraak. Alle inhoud, elk verhaal, moet namelijk nu nog pas beginnen. Je hebt de kleefkracht van karma zodanig onderbroken dat er nu een schoon blad voor je ligt – ook al is het eveneens waar dat je karmische inhoud, met alle emotioneel-gekleurde verhalen van vroeger, zich in een oogwenk weer kan melden. Vandaar dat het altijd aan te raden is om het herkennen van het Lege Kennen eventueel kort te laten zijn maar wel vaak te laten gebeuren.
Deze herkenning houdt ook een herkenning in van de afwezigheid van de ik-figuur. Hoe kort de herkenning ook moge zijn, het moet wel echt herkenning zijn. Een zien dat er uiteindelijk slechts ZIEN is. ‘Zien ziet zien’, noem ik het wel eens.
Dan besef je ook meteen dat dit wel degelijk de waarheid is, ook al kun je dit als persoon misschien nog niet helemaal waarmaken in je leven. Het is gewoon waar, hoe alle manifestatie zich verder ook zal aandienen.
Door deze waarheid te blijven herkennen als ‘meer waar’ dan de verhalen van de ik-figuur en ook meer waar dan de slingerende waarheden die ons via de media bereiken, zullen de verhalen gaandeweg afnemen, of in ieder geval de geloofwaardigheid ervan. Op deze manier leer je ook om om te gaan met deze eventueel nog opkomende ik-figuur.
Net zoals je kunt zien dat deze figuur, zodra je echt het licht erop laat vallen, verdwenen is, kun je ook de momenten herkennen als hij toch daarna weer opkomt; dat wil zeggen dat deze ‘onvindbare’ bruiloftsgast dan toch gewoon opnieuw verschijnt, en wel als een object van constant ziend en licht-schenkend Bewustzijn. Je leert zo om hem meer en meer als een object te zien, niet in de zin van een kille afstandelijkheid, maar als te onderscheiden van Jij die kijkt. Je hebt voor een moment daadwerkelijk gezien dat hij er niet is: je kunt dat ‘leegte’ noemen, een afwezigheid van fenomenen. En erna komt de ik-figuur toch op: dat wil zeggen dat in deze leegte zo maar een fenomeen optreedt. Je kunt dit gemakkelijk onderscheiden. Dit is ‘verschil’, heel eenvoudig.
Ik beschouw het als groots als je werkelijk ziet wie of wat je bent; je kunt dan zien dat een van de meest essentiële eigenschappen van je waarachtig-eigen natuur vrede is.[2] De ik-figuur bevat in het algemeen weinig vrede, maar Dat wat de ik-figuur ziet is altijd al in vrede en harmonie met zijn huidige object.
Dit betekent dat je nu, misschien wel voor het eerst, naar alle dagelijkse dingen en voorvallen kunt kijken zonder een filter of sluier. Sommige moderne mensen doen casual over dit punt, maar volgens mij is dat niet dienend. Dit herkennen van vrede en ongefilterdheid is namelijk uniek.
De schets die hier gegeven wordt, van eerst zien dat er niet iets te zien is en erna eerlijk erkennen dat (of ‘als’) er wel degelijk opeens een ik-figuur oprijst, noem ik ‘heilige volgorde’. Ik noem het heilig omdat het kijken vanuit het eerste gegeven, waar blijkt dat die ik-figuur werkelijk niet te vinden is, betekent dat je oog hebt voor Dat wat aan alle fenomenen voorafgaat, en daardoor ook oog voor het ‘begin’ van alle fenomenen, en dat je vervolgens kunt kijken vanuit deze afwezigheid, vanuit deze leegte. Wát er ook maar hierna kan verrijzen, dat is klein en kort vergeleken bij Zien-op-zich. Het kijken vanuit het lege Zien-op-zich beschouw ik als het meest betrouwbare dat er is. De term ‘heilig’ gebruik ik om aan te geven dat dit Zien zelf niet iets van een persoon is, en dat dit daarom vooraf moet blijven gaan aan de aandacht voor persoonlijke opwellingen.
Zodra je dit in praktijk brengt, maak je mee dat je ongefilterd naar andere mensen kunt kijken, zonder een gekleurde bril. Je ziet dat veel van wat je dacht te zien eigenlijk projecties zijn.
Je gelooft je projecties niet meer. De mens is dit in het algemeen niet gewend, vandaar dat ik dit uniek durf te noemen.
Ja, het is groots, dit Zien zelf, deze Bevrijder.
N.B.: dit artikel was oorspronkelijk op het blog Volle Cirkel geplaatst met een andere titel: ‘Over de heilige volgorde en het “nut” van non-dualistisch inzicht’.
NOTEN:
1. Het bruiloftsgast-verhaal staat in de Talks with Sri Ramana Maharshi (1955), Talk No. 612.
2. Vanuit dit zicht heb ik de Universele Verklaring van de Ware Natuur van de Mens kunnen schrijven. Daarin schets ik de mogelijkheid dat ieder mens leert kijken vanuit zijn ware natuur, die vrede genoemd kan worden. Downloaden is mogelijk via www.advaya.nl (bij ‘Artikelen’).
maandag 27 januari 2020
zondag 1 december 2019
“Ja, dit is inderdaad het hoogste”

Ook mij gaat het om het meest volledige onderricht, het meest omvattende. Ja, ik lijk wel een beetje op Zongmi, denk ik wel eens. Waarom zou je andermans specifieke, wel-degelijk-bevrijdende element dat als een tip kan werken, in je benadering overslaan? Nee toch, je wilt dat er een zo groot mogelijke duidelijkheid geboden kan worden, door niets te negeren dat een mogelijke aanvulling of correctie bevat. Want bij het samenbrengen van de verschillende ingangen kun je meteen zien dat ze herhaaldelijk correcties aan elkaar hebben aangereikt (of ze deze nu vervolgens hebben geaccepteerd of niet, dat is hier heel even bijzaak). Pas zodra de correcties op elkaar zijn herkend als terecht, hoef je de verschillende tradities niet meer aan te duiden als bijna-volledig, zoals ik eerder in dit artikel deed. Pas dan herken je het volledige, niets-uitsluitende, en herken je ook de terechtheid om dit volledige te benadrukken.
Wij zijn in werkelijkheid allemaal zelf het Verschilloze.









