woensdag 8 augustus 2018


De beide Verlichtingen nu afgebeeld

Opnieuw heb ik een poging gedaan om de Westerse Verlichting samen met de Oosterse te schetsen –­ en nu letterlijk, in een potloodtekening.

1  De bovenste driehoek

De Oosterse Verlichting beeld ik al lang af, en wel als een gelijkzijdige driehoek, geïnspireerd door het grootse Dzogchen-drietal Lege Essentie, Kennende Natuur en Onbelemmerde Uitdrukking. Aanvankelijk tekende ik die driehoek met de punt (van de Uitdrukking) naar boven, maar op een gegeven moment keerde ik hem naar beneden. Ik vond het kloppender om een eventueel vervolg, oftewel de gevolgen van de Uitdrukking, naar beneden af te beelden.
            Wat ik als vervolg beschouw, is eigenlijk meteen Westerse Verlichting. De Oosterse heeft namelijk op zich geen vervolg, geen uitwaaieringen. Die is gewoon wat hij is, en wat hij altijd is geweest. Weliswaar zijn daarin in de loop der eeuwen ook allerlei verbeteringen aangebracht, maar op dit moment voelt het geheel van Oosterse Verlichting aan als een vast gegeven, dat draait om Dat wat nooit gewijzigd is (zoals Tulku Urgyen het zo mooi uitdrukt: “Ik herhaal alleen maar de woorden van de Boeddha”). Vandaar dat ik dit op een zeker moment in een tekening durfde te schetsen. Het is namelijk rotsvast. Gewoon drie punten, of cirkels. Alle vormen van Werkelijkheidsonderricht, zowel Advaita alsook het boeddhistische Dzogchen en Zen, zijn erin vervat.
            De Westerse Verlichting speelde in die tekeningen nog geen rol. Met andere woorden, de waardering die ik voor de Westerse variant heb, werd nog niet getoond. In de huidige tekening heb ik die waardering wel getoond: een zelfde driehoek, onder de eerste, met identieke afmetingen. Maar wat wel meteen erbij gezegd moet worden, is dat de termen die erin geplaatst zijn veel willekeuriger voelen dan die in de oorspronkelijke driehoek.

Laat ik eerst nog even deze oorspronkelijke driehoek in herinnering brengen. Zoals gezegd, is hij gebaseerd op een indeling binnen Dzogchen. Waarom ik durf te zeggen dat hij ook geldig is voor de ‘hindoeïstische’ Advaita Vedanta, is omdat ik een aantal zaken erin als verbeteringen op de Advaita beschouw en ik ervan uitga dat deze verbeteringen als zodanig gaandeweg ook erkend gaan worden. Veel kritische commentaren binnen de klassieke Advaita waarin over boeddhistische elementen wordt gesproken, zijn gebaseerd op een stadium van ontwikkeling binnen het Indiase Boeddhisme (globaal betrof dit 350-900 AD). Van de ontwikkelingen daarna, zowel in China als in Tibet, had men in India geen enkel idee. Zo had zelfs in de twintigste eeuw een groot Advaita-leraar als Atmananda (Krishna Menon) nog kritiek op uitspraken vanuit de Middenweg-school van het Boeddhisme. Hij wist niet dat zowel binnen het Chinese als het Tibetaanse Boeddhisme deze details allang gecorrigeerd waren. Met name was het begrip ‘Leegte’ onderwerp van kritiek. Leegte is op de tekening linksbovenin weergegeven. De traditionele Advaita ging eigenlijk alleen maar uit van louter Bewustzijn, het Kennende en Lichtschenkende beginsel, dat rechtsbovenin afgebeeld staat. Weliswaar was er ook oog voor de ‘Uitdrukking’ (de roze en groene cirkel onderin de driehoek), maar die werd steevast aangeduid als illusie. Alleen het eveneens uit hindoeïstische elementen voortgekomen Kashmir Shivaïsme had hier al een verbetering op aangebracht – de Uitdrukking is in dit Shivaïsme hetzelfde als Dat waarvan het uitdrukking is: namelijk constant Shiva, louter Bewustzijn, Kennen op zich.

Nisargadatta Maharaj had oog voor beide kanten van de zaak, zowel voor het werkelijke alsook voor het totaal illusoire. Vanuit deze omvattende blik maakte hij van de plaats van de ‘uitdrukking’ (door hem vooral verwoord als ‘ik ben’) een plaats waar het tweetal begint. Dualiteit begint hier – dit is de plaats waar Besef gewoon het geval kan zijn, maar waar toch niet-besef in een oogwenk Besef kan verduisteren.
            Ook zoiets als ‘Atman’ (meestal vertaald als ‘het Zelf’), dat door de Advaita zo constant benadrukt wordt als realiteit, werd door Nisargadatta doorzichtig gemaakt, dat wil zeggen als zijnde een concept ontkracht. In mijn ogen terecht. De Advaita verdedigt in allerlei teksten het ‘bestaan’ van Atman, zonder er oog voor te hebben dat een dergelijk ‘bestaan’ meestal snel een conceptueel bouwwerk veroorzaakt, een Entiteit, een ‘Iets’. Nisargadatta zei steeds: ‘Geen enkel concept is waar.’ Dit geldt ook voor de term Brahman. Heel gauw kan Brahman als een grootse Entiteit worden gevoeld. Maar Brahman is geen Entiteit, en heeft zelf geen bestaan – het is juist Dat wat bestaan mogelijk maakt zonder zelf iets te zijn.
            Het voorkómen van deze vergissing van ‘beschouwen als Entiteit’ is exact wat in de Chinese en Tibetaanse ingangen met ‘Leegte’ wordt bedoeld: Niet-iets, Niet-concept, Niet-weten. Met daarbij meteen de nadruk dat Bewustzijn, Kennen-op-zich, onlosmakelijk met Leegte verbonden is, zodat de advaitische kritiek ontzenuwd wordt ‘dat de boeddhisten blijven steken in leegte, die immers alsnog gekend moet worden.’
            Ik heb het gevoel dat eigenlijk pas sinds Nisargadatta het Non-conceptuele frontaal in de vedantische benadering heeft binnengebracht, de totaliteit van het wijdvertakte Non-dualisme eensgezind is geworden. De nadruk op Leegte, het Non-conceptuele, is vermoedelijk de grote correctie van boeddhistisch non-dualisme (advaya) op het vedantische non-dualisme (advaita*).

Het derde aspect naast Leegte en Kennen, hier op de tekening in rozerood en groen getoond en ‘Beleving’ genoemd, wordt in Dzogchen Nirmana-kaya genoemd. Dat is een aanduiding voor de zichtbare en voelbare manifestatie van de andere twee aspecten (respectievelijk Dharma-kaya en Sambhoga-kaya). De historische Shakyamuni Boeddha was een Nirmanakaya-gestalte. Het draait bij dit derde aspect om de weliswaar tijdelijke maar altijd pure Uitdrukking, die in de kern precies datzelfde bevat wat altijd en overal het geval is: het innige, onverbrekelijke samengaan van Leegte en Bewustzijn.
            Dit onafgebroken tweetal van Leegte en Bewustzijn (oftewel Niet-weten en Kennen) is nooit echt ‘twee’, het is juist door de onscheidbaarheid erin louter non-dualiteit. Het is Dat waar alleen maar Niet-twee is, en waarin tegelijkertijd alle vorm en kleur mogen verrijzen. Zowel Leegte als Bewustzijn gaat vooraf aan verschil, aan tijd, aan woord, aan vorm, kleur enzovoort.


Het onafgebroken samenzijn van Leegte en Bewustzijn maakt dat de Uitdrukking hiervan zich net zo onafgebroken afspeelt – onbelemmerd door wat ook. Op deze plaats, de roze-groene cirkel, komt eigenlijk alles samen. In het centrum zie je de letterlijke aanraking, door Nisargadatta vaak aangeduid als de ‘speldenprik’. Ik blijf Beleving de beste term ervoor vinden. Huidig beleven, zonder enig commentaar of verhaal. In dit huidige, in deze ‘huidige vorm’, zijn Besef en niet-besef nog vlak bij elkaar.
            Op deze plaats begint het individu, en ook de wereld. Het is het zaad, het zaad van verschil. Wat zelfs in de droom al vorm heeft, dus manifestatie (vyakta), is hier nog slechts zaad, vormloos, ongemanifesteerd (a-vyakta) – voor de mens is dit de diepe droomloze slaap. Het wordt ook wel ‘causaal lichaam’ genoemd, om aan te geven dat hier alle dualiteit en manifestatie uit voortkomt.

2  De onderste driehoek, die voortkomt uit het dualiteitszaad

Nu over de tweede driehoek. Zoals te zien is, valt de onderste helft van de onderste cirkel in deze tweede, groengekleurde driehoek. Het verschil in kleur in de cirkel is om aan te geven dat deze cirkel als geheel niet alleen maar werkelijk is – hij is dán weer dit en dán weer dat. Zojuist benoemde ik het wel als ‘altijd pure Uitdrukking’, maar dat was om voor een moment te benadrukken dat Uitdrukking niet per se onwerkelijk is. De Uitdrukking, door mij graag ‘Beleving’ genoemd, is zoals gezegd het begin van verschil, dus van dualiteit. Vóór dit begin is er nog geen tijd, geen oorzaak-en-gevolg, geen inhoud, geen enkel verhaal of mythologie – geen ‘twee’. Het heeft nog geen eigenschap, ook al houd ik ervan om het soms aan te duiden als ‘louter Licht’.
            En nu, in Beleving, waarin Licht een aanraking beleeft met de tijdelijke onderbreking ervan – noem het ‘schaduw’, ‘illusie’ of ‘levenloosheid’ – zijn er opeens twee mogelijkheden. Uiteraard is daar nog steeds de herkenning, oftewel Besef (roze bovenin de cirkel geschetst, als ‘derde factor’ behorend bij het altijd-al-vrije van de bovenste driekleurige driehoek), maar meteen is er ook juist het ontbreken daarvan, hier in een andere kleur getekend omdat het typisch dat is wat voor ‘vervolg’ zorgt.

Wat mij betreft is het meest grootse en dankbaar-stemmende voorbeeld van een vervolg de Westerse Verlichting. Dit is het beginsel dat in Europa sinds de achttiende eeuw een dragende kracht is geworden om er meer en meer voor te zorgen dat ieder mens in vrijheid van overheersing door een ander kan leven, vrij om zich te uiten. Ik beschouw dit beginsel als een ongelooflijk belangrijke kwaliteit, ook al is hierin meestal nog steeds geen oog voor dat wat hier wordt aangeduid met ‘Besef’ – concepten zijn nog niet doorzien als bron van onwerkelijkheid.
            Vanuit de optiek van de oosterse ingang (de bovenste driehoek) is de hele onderste driehoek nog steeds een uitdrukking van ‘niet-besef, ondanks alle positieve uitwerkingen. Niet-besef is mijn vertaling van de door de tradities aangeleverde termen a-vidya (Sanskriet), wu-ming (Chinees) en ma-rigpa (Tibetaans). Meestal worden deze termen vertaald als ‘onwetendheid’, maar ik vind dat een zeer misleidend woord; het gaat namelijk niet om het ontbreken van enige vorm van weten of kennis, maar om het ontbreken van onmiddellijk Besef. Het ontbreken daarvan is iets fundamenteel anders – in veel opzichten staat Besef zelfs haaks op de Westerse Verlichting, waarin de term ‘onwetendheid’ terecht is, als duidend op het ontbreken van een door informatie verhelderd (‘verlicht’) denken.
            Niet-besef wil zeggen een doorgaan met een geschapen reeks. Een vervolg creëren, een toevoeging, een uitbreiding, een verbetering desnoods. Dit is wat mij betreft het uitgangspunt van dat wat ik nu als groene driehoek heb geschetst. Ik zie deze driehoek dus als het vervolg op de bovenste.   


Deze groene driehoek is een afbeelding van de ontwikkeling die zich in het Westen heeft afgespeeld sinds de Renaissance en tot bloei komend in de achttiende eeuwse Verlichting. Die ontwikkeling was niet alleen maar rationeel; de zogenaamde Romantiek bijvoorbeeld was wat mij betreft gewoon een variant van de Verlichting. Allerlei detail-verschillen binnenin deze Verlichting kun je voorlopig beter als bijzaak beschouwen – vanuit de behoefte om helder te blijven omtrent wat de hoofdzaak is, noem ik hier ‘Westerse Verlichting’ alles wat ik als echte kwaliteit van het Westen beschouw. Kwaliteit, dat is het punt voor mij, met daarbij nog als belangrijk element: ‘Eer aan de ontdekker of uitvinder van deze kwaliteit’. Eer aan het creatieve. Het gaat hier om het waarderen van alle echte bijdragen aan een ontwikkeling in de zin van groei of verbetering. Op deze plaats ligt dan ook mijn waardering voor geschiedenis (namelijk totaal niets te maken hebbend met de veel geciteerde Krishnamurti-uitspraak “Laat het verleden los”).

Ik durf hier de aandacht te vestigen op het vervolg op de Oosterse Verlichting omdat ik die op zich eerlijk gezegd niet kan ervaren als volledig. De Westerse levert elementen waarin ik de Oosterse vollediger zie worden, inclusiever, universeler. Maar meteen moet ik erbij zeggen dat dit alles voor de goede verstaander van de hier geschetste volgorde is. Los van Besef, los van dat wat de Oosterse Verlichting constant als kern aanreikt, maakt de Westerse op mij namelijk meteen geen indruk meer, want dan blijkt deze meestal tot vormen van cynisme en arrogantie te leiden.

De groene driehoek heb ik wel van enige termen voorzien, maar ze hebben zoals gezegd niet de stelligheid van de drie termen van de driehoek van de Oosterse Verlichting; ze zijn een beetje willekeurig. Wat als drietal bij het schetsen het meest direct bij me opkwam heb ik hier als tijdelijke keus gebruikt. Het is het volgende drietal:
             a. de technologische ontwikkeling, met daarbij de constatering dat deze nu wereldwijd gebruikt wordt (vaak blijkt bijvoorbeeld dat zelfs arme migranten een smartphone hebben, als bijna enige bezit); 
       b. de correcties op deze ontwikkeling, zoals die van de vele bewonderenswaardige milieu-activisten; en
           c. (wat ik als de kern van alle westerse kwaliteiten beschouw:) het benadrukken van de vrijheid en de gelijkheid van ieder individu, zijn recht om zich zo oprecht mogelijk te uiten, niet gehinderd door enig gezagsapparaat (tenzij hij de vrijheid of de uitingsvrijheid van anderen probeert te verhinderen).
            Ik beschouw bijvoorbeeld als een wezenlijke bijdrage van het Westen de vrijheid om overal een kritische blik op te werpen, hoe ‘heilig’ het object van die blik ook heet te zijn. Zeker als iemand de hier geschetste volgorde betracht door eerst conceptloos Bewustzijn te herkennen, mag hij een eventueel gevoel van niet-kloppendheid omtrent iets vertrouwen en er kritische vragen over stellen, bijvoorbeeld in gevallen van ontkenning en verdraaiing van de feiten. Ook al kan iemand anders die alleen maar wil blijven kijken vanuit Oosterse Verlichting, meteen roepen: ‘Ja, maar dit is eigenwijs! Dit is nog typisch beoordeeld vanuit ego!’ Dat maakt niets uit. Als Besef en oprechtheid de basis zijn, mag je vragen stellen en machts- of gezagselementen ontkrachten, vind ik.


Om een voorbeeld te geven: er is momenteel een aantal indologische en sinologische onderzoekers die wel degelijk veel respect voor Oosterse Verlichting laten voelen in hun beschrijvingen (die met andere woorden een zeker zicht hebben op wat eerst beluisterd moet worden), maar die vandaaruit zo helder mogelijk proberen te beschrijven wat ze aantreffen, ook al kan dit beschrijven soms zeer kritisch zijn, en voor sommigen zelfs ontluisterend.** De kritische blik van deze onderzoekers is een van de belangrijkste bestanddelen geweest waardoor ik de Westerse Verlichting ben gaan waarderen. Er zit een enorme kwaliteit in de houding van deze indologen en sinologen; ik durf te zeggen dat ik heel veel heb gehad aan hun nauwkeurige onderzoek – ook wat betreft mijn inzicht. Sommige mensen noemen het ene ‘intellectueel’ en het andere ‘spiritueel’. Vaak hebben ze gelijk in het maken van dit onderscheid. Maar dit gaat gelukkig lang niet overal op. Er zijn onderzoekers die hun intellectuele vermogen helemaal in dienst stellen van de waarheid, en die bijvoorbeeld zelf een oprecht luisterend leerling zijn van een maharaj of een rinpoche of roshi.
            Dit is een goed voorbeeld van wat ik de ‘heilige volgorde’ noem: eerst inzicht (of in ieder geval een doordrongen-zijn van het essentiële belang hiervan voordat je je mond opendoet), en pas daarna detail-kennis en een kritische blik. De bovenste driehoek blijft te allen tijde de kern van de zaak, en de onderste de dienaar ervan. Zodra deze hiërarchische verhouding losgekoppeld wordt, ontstaat er wat mij betreft meteen een onterechte nivellering.
           
Wanneer je jezelf in dienst stelt van de aan alles voorafgaande Werkelijkheid, kun je je afvragen wat de manier is om ook tijdens je bezigzijn in de wereld het Besef van conceptloos Bewustzijn te continueren. Op de tekening staat de groene driehoek vol met het roze puntje van besef, de altijd-aanwezige mogelijkheid om binnenin de vertakkingen van het persoonlijke of individuele in Besef te vallen, in stilte, in het herkennen van conceptloos Zien. Met andere woorden, niets is werkelijk verzwolgen, hoe ver je ook gaat in je fascinatie. De waarheid van de bovenste driehoek (het roze puntje van besef) blijft altijd van kracht: het ononderbroken samengaan van Niet-iets en Kennen dat zich hier inherent uitdrukt, als een natuurlijke gelijktijdigheid (en overigens, niet als een gevolg, omdat oorzaak & gevolg hier nog net niet zijn begonnen). Het is het zien van Tijdloosheid binnenin de vele tijdelijke details.

* De term advaita is op deze plaats alleen maar gebruikt voor het tijdelijke contrast. In feite werd in de vroege Advaita Vedanta de term advaya ook herhaaldelijk gebruikt, soms zelfs meer dan advaita.
** Om hiervan een paar voorbeelden te noemen: Lex Hixon die in zijn proefschrift over de boeddhistische invloed op de Gaudapada Karika de durf toont om zich los te maken van de gangbare, starre interpretatie van veel traditioneel-vedantische commentatoren (waaronder Lex’ eigen leraar Swami Nikhilananda). Prachtig pionierswerk wat betreft de nadruk op het universele van Oosterse Verlichting, oftewel universeel non-dualisme. Door dit boek is Lex Hixon een van mijn voorbeelden geworden. Verder Jeffrey Kripal met zijn kritische behandeling van de vertaalde uitspraken van Ramakrishna in zijn (nog steeds controversiële) Kali’s Child, en John McRae die in zijn Seeing Through Zen allerlei traditionele beweringen over Zenmeesters ontkracht.

Hixon, Alexander P. [Lex], ‘Mahayana Buddhist Influence on the Gauda School of Advaya Vedanta: An Analysis of the Gaudapadakarika.’ Proefschrift Columbia University New York, 1976.
Kripal, Jeffrey J., Kali’s Child. The Mystical and the Erotic in the Life and Teachings of Ramakrishna. Chicago: University of Chicago Press, 1995.
McRae, John R., Seeing Through Zen. Encounter, Transformation, and Genealogy in Chinese Chan Buddhism. Berkeley, CA e.a.: University of California Press, 2003.