donderdag 27 juli 2017



Over het herkennen van het belang van het universele in non-dualisme

  1    
Vanaf het begin (‘In den beginne’) is er de eenheid van Essentie en zijn uitdrukking.
Deze twee zijn onverbrekelijk. ‘Essentie op zich’, dat is helemaal geen reëel iets. Dat is alleen maar een verwijzing. Je kunt van Essentie spreken zodra je uitdrukking aantreft. Vandaar dat hier gezegd wordt dat ze onverbrekelijk zijn.

God die ‘op een bepaald moment tot scheppen overgaat’: dat is een conceptueel beeld in de tijd. Terwijl dit iets betreft wat juist nog geen tijd kent.
Al vanaf ‘het begin’ is er Essentie én zijn uitdrukking, tegelijkertijd. God met Adam en met Satan en met Eva en met zoon Kaïn (en eventueel ook met een zekere Lilith), en ‘daarna’ met alle anderen: steeds tegelijkertijd wat betreft de onverbrekelijke eenheid van Essentie en uitdrukking.
Uitdrukking is altijd specifiek. Dat wil zeggen dat deze altijd verschillend is van een andere uitdrukking – maar op het moment van het zien van een specifieke uitdrukking blijkt hij onverbrekelijk en gelijktijdig te zijn met zijn eigen Essentie, het constant Verschilloze, zijn ‘Schepper’.

  2
Weliswaar is Essentie natuurlijk altijd het geval, maar uitsluitend als niet-iets, dus dat kun je niet een ‘bestaan’ noemen. Je kunt er niet over spreken. Taal kan dit grootse niet aan, het ongelooflijke van dit Lege, Kennende beginsel.
 
  3
Deze manier van spreken is ontleend aan de paar waarachtige tradities die het in feite allang met elkaar eens zijn, ondanks de schijn van verschil van mening.
Ik heb zelf nauwelijks iets bedacht. Alleen maar ophelderen, verduidelijken, vertalen, interpreteren. Van Shenhui, Atmananda, Shankara, Zongmi, Tulku Urgyen, Ramana, Longchenpa, Nisargadatta – noem ze maar op. De Groten.
En in dat ophelderen zie ik dat ze het werkelijk eens zijn, ook al lijkt het wel eens alsof iets haaks staat op iets anders.

  4
Ik durf mijn conclusies te trekken. Mozes hoor ik ook roepen, en Bapak Subuh, en soms Mohammed, en ja, natuurlijk Jezus, maar ik blijf in de eerste plaats trouw aan het Eerste, en dat is:
het Conceptloze.
            Leegte, Niet-iets, Niet-weten, No-mind, Nir-guna Brahman, Dharmakaya, La ta‘ayyun, Advaya, Tathata, het Conceptloze. Allemaal termen voor Dat waar taal niet verder kan komen. De Essentie. Dat waar nog geen verschil is.

  5
Het begint namelijk nu pas.
Alles is gewoon dezelfde Totale Essentie, het Verschilloze, dat zich nu toont in deze specifieke vorm: man in tuin, schrijvend, met zon en wolken, en muziekgeluiden van ver.
Het begint nu pas.
Het specifieke (de uitdrukking) lijkt oud, lijkt ‘veroorzaakt’, ‘geschapen’, en soms lijkt het wel een vergissing. Dat geldt voor ieder mens, met zijn individuele geneigdheden (vasana’s, dan wel samskara’s) en zijn karma, en uiteraard ook zijn zogenaamde bergplaats-bewustzijn (alaya-vijnana). Tuurlijk, allemaal vergissing. Allemaal gebaseerd op niet-besef (a-jnana), dat wil zeggen het niet-herkennen (ma-rigpa) van Bewustzijn of Gewaarzijn – van Essentie. Van Dat wat nooit afwezig kán zijn.[1]

  6
Ondanks deze vergissing (in miljoenvoud), ja desondanks:
            dit blijkt nieuw te zijn. Deze huidige vorm.
Dit is nooit eerder gebeurd.
Dit hoeft niet verklaard te worden.
De huidige vorm,
            die de uitdrukking is van Essentie, het Verschilloze,
            is ook nu geheel en al onafscheidelijk ervan,
            en in de kern er niet van verschillend.
Zoals zo prachtig gezegd is:
“Bewustzijn (Rigpa) is in harmonie met de verschillende dingen die als fenomeen verrijzen” [dat wil zeggen: die verrijzen als Bewustzijn's huidige vorm].[2]

  7
En opeens (ook al doe ik dit al jarenlang maar nu toch voor het eerst) 
           doe ik een beroep op het
            zien  of  herkennen
            van het belangrijke feit dat er (ondanks alle onmin en wreedheid overal) nu al onderricht bestaat dat het 100% eens is, en zelfs in Essentie Identiek is, dwz. Verschilloos –
ook al zijn de termen in de verschillende clubs nog traag en hardnekkig, en zijn de meeste mensen in die specifieke clubs niet zo genegen om te zien dat ook anders clubs dingen zeggen die werkelijk (dwz. niet oppervlakkig of scheurkalenderachtig) op hetzelfde neerkomen. Wonderlijk is het, en jammer.
  Vandaar dat ik een beroep doe op het herkennen van het belang van het hierbovengenoemde feit, namelijk dat bepaalde vormen van verschillend onderricht het in hun essentie nu al 100% eens zijn.

  8
Als er onderricht bestaat dat qua termen wel verschilt maar dat werkelijk, werkelijk (ook na jarenlang checken) honderd procent identiek blijkt te zijn,
dan is er voor mij aanleiding om tot lofzang over te gaan.
           
O! God zij geprezen!
Er is werkelijk vrede!
Vrede is in zijn ware aard niet een concept!

  9
En meteen erna durf ik ‘terug’ te gaan. Ja, in de tijd. Naar Nagarjuna, zo ongeveer in de tweede eeuw na Jezus, die aangaf dat het nog helemaal niet gaat om iets nieuws te zeggen, om een ‘eigen’ standpunt in te nemen, maar uitsluitend om aan te wijzen dat geen van de standpunten op werkelijkheid gebaseerd is.
Geen enkel standpunt. Slechts leegte, het conceptloze.

  10
Ik beschouw Nagarjuna’s ontkrachting als ‘de eerste noodzaak’.
Ja, eerst de ontkrachting; eerst het conceptloze.
Maar direct daarna zeg ik dat dit alleen maar het begin is van het ware praten.
Het ware praten, zoals ik het nu even durf te noemen, heeft natuurlijk ook een vervolg.
Nagarjuna’s nadruk werd wel eens, heel terecht, ‘een louter therapeutisch hulpmiddel’ genoemd[3] – omdat hij namelijk daarna niet opeens toch weer een ‘standpunt’ innam.

  11
Het ‘ware praten’ erkent dat er herhaaldelijk vergissing en strijd is. Geen ontkenning of doofpot. Licht schijnt op de mogelijkheid van vergissing – ook eigen vergissing, uiteraard.
Maar vervolgens is wat ik het ware praten noem, volledig open om Dat te zien waar onmin alleen maar veroorzaakt blijkt te worden door termen, door codes, vooroordelen, traditionele afspraken en loyaliteiten.
Dán komt er zicht op de paar geestelijke benaderingen die werkelijk hetzelfde zeggen, ondanks dat de termen en codes ogenschijnlijk zeer verschillen van elkaar. Aanduidingen als boeddhistisch en vedantisch blijken verouderd te zijn – louter bijzaken betreffend. Dus reizen we dan bijvoorbeeld van een Indiaas-vedantische tekst van Shankara met groot gemak door naar een Chinees-boeddhistische tekst die bekend is geworden als The Awakening of Faith.[4]
Dan is er niet meer zo’n wonderlijke afweer tegen ‘de oude teksten’, die je nu nog vaak tegenkomt. Dan is er bereidheid om die teksten te onderzoeken die vanuit verschillende windstreken hetzelfde blijken aan te duiden. Echt hetzelfde.
Dan is er vrijheid om het identiek-zijn uit te drukken temidden van vooringenomenheid, sektarisch denken en onvrede.

  12
De deur van vrede wordt hiermee aangewezen.
Vrede zit al vervat in de uitdrukking in de ware teksten. In de teksten die werkelijk Hetzelfde zeggen.

‘Hetzelfde’: dat kán niet iets anders zijn dan Vrede.
Vandaar mijn uitnodiging: kijk naar wat werkelijk Hetzelfde is in al die benaderingen. Het Verschilloze. Dat is Vrede. Dat is het Universele, waar strijd een onmogelijkheid blijkt te zijn.
Vandaar dit pleidooi voor het herkennen van de echtheid van het reeds aanwezige universele.
Ja, het universele is de deur – of liever:
            het herkennen van het universele
            is de deur van vrede.  

  Noten
1.  Dit is een kleine hint in de richting van Dzogchen-vertaler Robert Hartzema, die in zijn vertalingen van klassieke Tibetaanse teksten met grote stelligheid ma-rigpa vertaalt als ‘de afwezigheid van rigpa’, de afwezigheid van ‘helder gewaarzijn’, met de mededeling dat rigpa ‘in zijn tegendeel kan omslaan’. Rigpa zoals dat door de grote leraren wordt gebruikt, kan nooit in zijn tegendeel omslaan [wel moet erkend worden dat de term rigpa op andere niveaus iets kan betekenen dat inderdaad in zijn tegendeel kan omslaan]. Ma-rigpa betekent slechts het niet-herkennen van het Altijd-aanwezige. Rigpa is niet ‘een kwaliteit van waarnemen’ zoals Robert het benoemt, maar altijd-aanwezig Kennen-op-zich, dat alle kennen, voelen, waarnemen, denken en alle helderheid én onhelderheid mogelijk maakt. Zolang niet herkend wordt dat zoiets als rigpa werkelijk onaantastbaar is en onveranderlijk, zal nooit (h)erkend kunnen worden dat exact ditzelfde onaantastbare door een andere groepering in andere termen verwoord kan worden.
2.  The Golden Letters, p. 132, 149 en 151. Dzogchen-teksten van Garab Dorje en Patrul Rinpoche, vertaald door John Reynolds (Ithaca, NY: Snow Lion, 1996).   
3.  Paul Williams, Mahayana Buddhism. London: Routledge,1989; 1e druk, p. 75; een groots boek (verreweg het beste boek over Mahayana, en wat mij betreft zelfs beste boek over boeddhisme op zich).
4.  Dit is een Chinese tekst uit de zesde eeuw, genaamd Dasheng qixin Lun. Hierbij wil ik (voor de strekking van het punt omtrent het gelijktijdig-zijn van Essentie en uitdrukking) mijn dank betuigen aan Yoshito Hakeda, de vertaler van dit boek, The Awakening of Faith (New York: Columbia University Press, 1967); zie p. 40, 51, 64 en 78. Ook dank ik Whalen Lai en Peter Gregory voor hun verhelderingen van deze tekst.

2 opmerkingen:

  1. Oh, wat een mooi pleidooi en lofzang! Het raakt me en vaagt alle cynisme aan de kant. Het is diepgaand dat dit steeds opnieuw aangereikt wordt. Dat dit waarlijk universele meer en meer (h)erkend mag worden!

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Dank je Tom, dat je de lofzang zo vergezeld doet gaan van een nieuwe lofzang.

      Verwijderen