woensdag 23 september 2020

    

 

 

 

 

 

 

‘Daar is niks mis mee’

            Over de twee extremen in de huidige advaita,

         met methodes, oneliners en vallende kwartjes

           

In veel gevallen van onmin binnen het moderne advaita-milieu wordt over het hoofd gezien dat de kern van alle non-dualistisch onderricht door de eeuwen heen altijd al neerkwam op het volgende:

            “Jij bent altijd al, ja altijd al, bevrijd, ontwaakt en verlicht.”

        

Adi-boeddha heette dit, zowel in vedantische alsook enkele boeddhistische vormen van non-dualisme. Adi-boeddha wil zeggen dat verlichting nooit niet is geweest, omdat er niet een oorsprong van valt aan te wijzen. ‘Verlicht’ is wat je altijd al bent, want jij bent niet geboren, en Kennend Licht oftewel Bewustzijn is altijd al het geval. Het is a priori.

            De zesde-eeuwse tekst Gaudapada Karika, die beschouwd kan worden als de oorsprong van de Advaita Vedanta, zegt dan ook onomwonden:

 

“De ware natuur van alle als fenomeen opmerkbare wezens is net zo beginloos als het luchtruim. Je kunt daar geen verschillen constateren, of veelvoud. Alle wezens zijn klaarblijkelijk al verlicht ‘vanaf het allereerste begin’ (adi-boeddha)” [vers IV.91-92].

 

Sommige mensen zeggen dat dit alles is, en dat we het dus verder niet meer hoeven te hebben over het ‘bereiken’ van verlichting. In het huidige tijdperk komt dit steeds vaker voor. Zulke mensen noemen dit dan bijvoorbeeld ‘het kwartje is gevallen’, of gebruiken een andere oneliner. Vaak ook zeggen zij iets als ‘ik ben er niet’, wat de zaak nog eenvoudiger maakt. Het idee dat er door de eeuwen heen in alle non-dualistische tradities gesproken is over een jarenlang onderricht en de noodzaak van een zekere beoefening of training, is vanuit de blik van iemand die ‘er niet is’ uiteraard volslagen onzinnig.

 

Dit is een van de twee extremen (vaak door anderen ‘neo-advaita’ genoemd) die de polen vormen binnen de moderne advaita vedanta. Het andere extreem vormt de groep die ik hier voor het gemak aanduid als de ‘methodische vedanta’. Advaita vedanta wordt hierin aangeboden als een soort cursus, helemaal gebaseerd op ‘knowledge’ – wát er dan ook maar precies met dit Engelse woord wordt bedoeld behalve de knowledge die in deze benadering vaak ‘vedisch’ wordt genoemd. ‘Ervaring’ (experience) wordt in deze contreien geschuwd als een zeer foutief woord, en zelfs het directe in het onderricht blijkt niet helemaal de bedoeling.* De shruti, dat wil zeggen de ‘onfeilbare woorden’ in Veda’s en Upanishads, daar draait alles om.

 

Wat mij betreft gaat het om een middenweg. Ik beschouw de beide genoemde extremen als ‘uit het midden geraakt’. De eerste doet aan te weinig, want is geheel onvolledig, en de tweede doet aan teveel, want is doorgeslagen.

           

Zoals gezegd, het altijd-al-verlicht-zijn blijft het uitgangspunt. Maar wat moet je doen als je dit verlicht-zijn niet kunt opmerken? Want allerlei vormen van fascinatie hebben er bij vrijwel ieder mens voor gezorgd dat het zicht op zijn ware natuur, de in ieder mens aanwezige ‘boeddha-natuur’ of ‘verlichtings-natuur’, versluierd is geraakt. Elk onderricht draait eigenlijk om het doorzien van deze versluieringen – althans, dit geldt natuurlijk slechts voor zover iemand erkent dat er nog versluieringen van zijn zicht optreden. Bij de ontkenning daarvan is er natuurlijk geen noodzaak meer tot enig spreken, laat staan onderricht.

 

Verschil van mening over het idee dat bevrijding bestaat en dat er een ‘weg’ zou zijn om bevrijding deelachtig te worden, komt wat mij betreft vooral neer op misverstand rondom begrippen. ‘Kennis’, ‘ervaring’, ‘training’, ‘bewustzijn’, ‘direct’, ‘weg’: al die woorden zijn volkomen afhankelijk van ieders interpretatie ervan.

            Dus zodra mensen beweren dat er ook nog een zekere ‘beoefening’ of ‘training’ noodzakelijk is, hangt het er wel vanaf wat ze daarmee bedoelen.

            Er zijn twee mogelijkheden:

 

1.  Je traint naar iets toe. Om ergens te komen of iets te bereiken, namelijk bevrijding.

2.  Je traint vanuit iets. Niet om ergens te komen, maar als een natuurlijk vervolg op een eerste herkenning van je ware natuur. Je voelt dat het éénmaal herkennen van je ware natuur niet ‘het einde’ is en dat de herkenning nog een zekere gewenning behoeft om in te kunnen dalen in je hele systeem. Je traint vanuit het reeds herkende ‘zien zelf’.

 

Ik beschouw dit als twee volledig verschillende zaken, die wel helder uit elkaar gehouden zouden mogen worden. Als iemand er het eerste mee bedoelt, ben ik het eens met de ‘kwartje-viel’-benadering waarin gezegd wordt dat er helemaal niet iets is om naartoe te gaan, omdat jij dat al die tijd al bent. Ergens naartoe gaan en ergens voor studeren betekenen gauw dat er geen oog meer is voor het onmiddellijke. En wat mij betreft is het onmiddellijke oftewel directe juist een van de kernpunten van non-dualiteit. Als je altijd al, en dus ook vanaf je geboorte, verlicht bent – althans in potentie – dan kan de realisatie daarvan, het daadwerkelijk verwerkelijken ervan, uiteraard alleen maar onmiddellijk zijn. Daar kan geen weg naartoe zijn. Geen uitstel, geen cursus of methode, geen enkel medium of middel kan daartoe als een hulp dienen.

           

Maar om meteen te claimen dat de realisatie al zodanig is ingedaald dat er geen enkele vorm van verwarring meer opkomt, zie ik als een valkuil van de andere zijde – de nadruk op ‘helemaal niemand hier’. Een niet-iemand die zich op de niet-bestaande borst klopt. De verwarring die je bij zo iemand nog kunt zien optreden, wordt dan vaak met de uitspraak ‘maar ook daar is niks mis mee’ beantwoord. Steeds blijkt bij mensen van de ‘oneliner-advaita’ dat elke beweging, elk detail, haastig vergezeld gaat van deze gouden uitspraak ‘daar is niks mis mee’.

 

Het is trouwens een heel opvallend fenomeen dat aan beide zijden, in beide extremen, een nadruk blijft liggen op redeneren.

            Aan de ene zijde, de zogenaamde neo-advaita, blijkt in de redenering een hoofdrol weggelegd te zijn voor het niet-bestaan van vrije wil. Er wordt een weten omtrent het niet-bestaan van vrije wil aan de dag gelegd, waarbij in het bespreken van talloze onderwerpen de conclusie steeds op hetzelfde neerkomt, namelijk ‘dat ik daar niets aan kan doen, omdat het gewoon gebeurt zoals het gebeurt’. Ik zou dan zeggen: ‘Oké, dan zijn we uitgepraat, want taal vervalt hier’, maar je ziet dezelfde mensen steeds opnieuw ditzelfde blijven zeggen en zelfs een gehoor ervoor uitnodigen.

 

Aan de andere zijde word je snel overspoeld met argumenten die stammen uit het India van minstens drie eeuwen geleden. Het blijkt herhaaldelijk om ‘onfeilbare teksten’ te gaan, en vandaaruit wordt dan geredeneerd. Nee, dat levert in het algemeen niet iets op dat ik als echt intelligent ervaar. Veel in deze rigide benadering vind ik eerlijk gezegd een vorm van fundamentalisme. Met iemand praten die uitgaat van dogma’s, met ‘onfeilbaarheden’, dat is voor mij vrij gauw onmogelijk.

 

Maar wat wel meteen hierna gezegd moet worden is dat ik zelf de aandacht voor de schriftelijke traditie heel waardevol vind. En ook moet ik erbij zeggen dat ik bij mijn huidige vertaalwerk van het advaita-geschrift Viveka Chudamani veel heb gehad aan het commentaar van Swami Dayananda, die een van de belangrijkste figuren was uit de ‘methodische’ advaita. Een aantal details heeft hij me op een wel degelijk intelligente manier helpen verduidelijken, waar ik hem oprecht dankbaar voor ben. Maar dat is allemaal via het geschreven woord. Dan is de nauwgezette aandacht voor traditie echt op zijn plaats, want het kan allerlei vaagheden tot helderheid brengen. Wat het mondelinge onderricht betreft is dit tot helderheid brengen uiteraard precies zo de hoofdzaak, maar het verloopt gewoon veel onbegrijpelijker. Dan kom je in aanraking met het wonder. Oog in oog met elkaar wordt het meteen een heel andere manier van doen. Het ware onderricht is wat mij betreft altijd mondeling onderricht, en dit is per definitie direct onderricht. Nooit is het een methode. Het draait altijd om het natuurlijke contact – de enige gelegenheid waarbij je ‘als vanzelf’ op blinde vlekken gewezen kunt worden. Een methodische behandeling van geschriften is in de meeste gevallen niet zo geschikt om binnen te brengen in dit directe onderricht; het kan heel vertragend werken. Wel kun je pratend uiteraard van alles erbij halen, ook tekstdetails die ertoe doen, zeker, maar niet ten koste van het onmiddellijke contact, het oog in oog staan. Oog in oog met het mysterie, dat wil zeggen zo min mogelijk redenerend, want de kern van de zaak heeft nét niet met een argument te maken.

            Of er wel of niet zoiets is als vrije wil, kun je volgens mij niet weten. Niet voor niets zei Ramana Maharshi in zijn Veertig verzen:

 

“Degenen die discussies voeren over wat uiteindelijk de doorslag geeft, lotsbestemming of vrije wil, hebben geen weet van de Bron van zowel lot als vrije wil. Zij die het Zelf kennen als de Bron van lot en vrije wil, zijn vrij van beide. Zullen zij er dan nog in verstrikt kunnen raken?” [vers 19].

 

Alles draait wat mij betreft om het onmiddellijke Besef. Besef heeft geen enkel soort ‘wil’ nodig, geen tijd, geen enkele redenering, geen ‘kennis’ of methode. Dat alles is dan gestopt.

            Er is niet iemand die Besef heeft ­of die in Besef te vinden is – ook ieder ‘iemand’ is gestopt. Wat evident is en nooit onvrij was, is zien zelf.

 

*  Zo kwam ik bijvoorbeeld onlangs uitspraken tegen waarin kritiek werd geüit op het directe element in het onderricht van Atmananda (Krishna Menon). Zie: www.shiningworld.com/site/satsang/read/2700

 

 

 

 

 


Geen opmerkingen:

Een reactie posten