donderdag 19 mei 2022

Drie nieuwe boeken en

een interview
 

 

woensdag 9 maart 2022

dinsdag 12 oktober 2021

     


  Tulku Urgyen:

‘Essentie en uitdrukking’

 

       Inleiding, vertaling en commentaar Philip Renard

 

 

Voor mezelf voelt mijn onderricht vaak als een voortzetting van twee afstammingslijnen: in de eerste plaats die van Advaita-leraar Nisargadatta Maharaj en in de tweede die van Dzogchen-leraar Tulku Urgyen. Zij vullen elkaar aan, en vallen wat mij betreft op dezelfde plaats. Deze plaats zou je ‘Beleving’ kunnen noemen, en ook ‘Uitdrukking’. Het gaat om de plaats waar jij alles wat gezegd wordt zelf kunt checken, omdat jij het zelf beleeft. ‘Dit’, jouw huidige beleving op zich (door Nisargadatta vaak als ‘ik ben’ aangeduid), is klaarblijkelijk je eigen uitdrukking.

     Dzogchen-onderricht leerde ik in 1986 kennen, hetzelfde jaar waarin ik Alexander Smit leerde kennen, een directe leerling van Nisargadatta. In de loop van de jaren dat ik het specifieke van Dzogchen leerde waarderen, bemerkte ik dat ik van alle Tibetaans-boeddhistische leraren die in Engelse vertaling beschikbaar waren, één leraar er totaal uit vond springen – dat was Tulku Urgyen Rinpoche (1920-1996). Zijn zoon Tsoknyi had me wel eerder al geraakt, maar de woorden van Tulku Urgyen zelf bleken toch een meer ‘blijvend’ effect te hebben. Hij liet me zien dat zodra je werkelijk voor honderd procent overtuigd bent van een specifieke vorm van onderricht, het verder een kwestie is van het steeds opnieuw ‘stempelen’ van deze nadruk. Deze nadruk komt erop neer dat je uitgenodigd wordt om tijdens het meemaken van de uitdrukking van Bewustzijn de essentie van Bewustzijn te herkennen.

     Hieronder een vertaling van drie van zijn tekstjes hierover.

 

   1

Ik zou graag iets gedetailleerder willen ingaan op twee belangrijke beginselen: essentie en uitdrukking (ngo bo en rtsal). De verhouding tussen deze twee is vergelijkbaar met die tussen de zon en daglicht: je kunt geen daglicht hebben zonder een schijnende zon. Hetzelfde geldt voor de essentie van de geest en de uitdrukking ervan. De essentie kan niet toenemen of afnemen, hij wordt niet beter of slechter. Of de essentie nu wordt herkend of niet, in de essentie treedt geen enkel verschil op. De enige mogelijkheid voor herkenning ligt in de uitdrukking.

 

Dit is zeer inlichtend. Alleen in de huidige uitdrukking of expressie van Bewustzijn (beleefbaar als ‘dit’) kun je je ware natuur herkennen, kun je herkennen dat de essentie (Leeg, oningevuld Bewustzijn) constant het geval is, ook in de uitdrukking.

            Wat Tulku Urgyen hier ‘essentie’ (ngo bo) noemt, is in Dzogchen meestal alleen maar een synoniem van Leegte, dat als het eerste in de indeling in drie basis-aspecten van onze ware natuur wordt beschouwd. Het tweede aspect, meestal vertaald als ‘natuur’, is het Kennende aspect, het Licht-schenkende. Dit Kennende is in dit verband (van het hier besproken tweetal, ‘essentie en uitdrukking’) eveneens te beschouwen als ‘essentie’, net zozeer als het Lege aspect. ‘Uitdrukking’ (rtsal, een term die ook vertaalbaar is als potentie, energie, levenskracht, expressie, vermogen tot manifesteren) is in de drietal-indeling het derde aspect – ook al wordt soms de term ‘uitdrukking’ al gehanteerd voor dit tweede, Kennende aspect; het lijkt me wijs dit nu even terzijde te laten.

 

In veel Dzogchen-teksten wordt nadruk gelegd op het altijd samengaan van Leegte en Kennendheid – en wat Tulku Urgyen betreft kun je deze nadruk wel zijn handelsmerk noemen. Dit constante samengaan wordt Rigpa genoemd, vertaalbaar als Bewustzijn. Ik interpreteer hier Tulku Urgyens gebruik van het woord ‘essentie’ als duidend op dit onscheidbare samengaan van Leegte en Kennendheid, dat wil zeggen op Rigpa, Bewustzijn. In Advaita zou dit ‘het Absolute’ genoemd kunnen worden.

Overigens geeft de visie van Leegte (Niet-weten, het Conceptloze) als zijnde het allerhoogste ook een blik op de visie van Nisargadatta, die af en toe zei dat er in het Absolute zelfs geen Kennen of Bewustzijn is, alleen maar een ‘donkerblauwe staat van Niet-weten’. Hoe dan ook, ik beschouw het als van belang om de eerste twee als onafscheidelijk te zien, Leegte en Bewustzijn (oftewel Niet-weten en Kennen), samen voor mij aanduidbaar als conceptloos, oningevuld Bewustzijn, oftewel ‘essentie’.  

 

 De uitdrukking van de essentie heeft de mogelijkheid om zichzelf te beseffen, alsook om zichzelf niet te beseffen – hier zie je hoe Besef het hele punt is.

            Er wordt wel gezegd: “Wanneer de uitdrukking tot ‘het dagen van Besef’ komt (dat wil zeggen zodra de uitdrukking zijn eigen natuur beseft), is hij bevrijd. Dan is er vrijheid. Wanneer de uitdrukking beweegt als gedachten, als denken, is hij in de war. Dan is er begoocheling.” In het zien van dit onderscheid wordt duidelijk waarin het belang van het verschil ligt.

 

Wat hier als ‘Besef’ is vertaald, is in Tibetaans shes rab (en in Sanskriet prajñā). ‘Besef’ is de ware natuur van Beleving, van de ‘uitdrukking’. Tulku Urgyen geeft hier het verschil tussen het al of niet tot besef komen aan als het punt waar het om gaat bij het trainen van ons onderscheidingsvermogen. Je beseft of je beseft niet. Het één is vrijheid, het ander is onvrijheid, begoocheling.

 

Met andere woorden, of de uitdrukking bevrijd wordt als Besef, óf verward raakt in de vorm van gedachten, wordt bepaald door degene die het onderscheid traint, die zijn eigen natuur beseft óf niet beseft. In de essentie zelf is geen enkel verschil; die wordt niet verbeterd door het herkennen ervan, of verslechterd door het niet-herkennen. “Wanneer de uitdrukking tot het dagen van Besef komt, is hij bevrijd. Wanneer de uitdrukking beweegt als gedachten, is hij begoocheld.” Dit is wat het hele verschil uitmaakt. (...)

            Deze uitdrukking is je eigen uitdrukking. Hij komt niet van iemand anders, net zomin als daglicht ergens anders vandaan komt dan van de zon. Het vermogen om onderscheid te maken tussen essentie en uitdrukking is het kenmerk van het verschil tussen boeddha’s en gewone stervelingen.

            Het is als één identiteit met twee aspecten. De identiteit zelf, de essentie, is als jouw oorspronkelijke zon die van nature stralend en ongefabriceerd is. De uitdrukking, je eigen uitdrukking waarin nog geen herkenning is, neemt dan de vorm aan van waarnemer en waargenomene. Het waargenomene wordt als ‘daarbuiten’ beschouwd, en de waarnemer als ‘hier’. Als in de uitdrukking de essentie niet wordt herkend, neemt de uitdrukking de vorm aan van denken. (...)

            Wat is het belang van kennen, van beseffen? Wanneer je de essentie herkent van de uitdrukking [van Bewustzijn] die de vorm van denken heeft aangenomen, wordt de uitdrukking onmiddellijk ‘het dagen van Besef’. (As It Is, Vol. 1, p. 146-147)

 

   2

Op het moment van het herkennen van onze ware natuur wordt de verwarring bevrijd. Voor boeddha’s geldt het woord verwarring niet, noch het woord bevrijding. Verwarring duidt op chaotisch, misleid, op een vergissing berustend. Het woord ‘verwarring’ betekent hier ‘de uitdrukking van Bewustzijn waarin de bewegingen op vergissing berusten’. (...)

            Er is ‘Bewustzijn’ (Rigpa) en er is de ‘uitdrukking (rtsal) van Bewustzijn’. Wat nodig is, is de uitdrukking van Bewustzijn toe te staan bevrijd te worden. (...) Voor Bewustzijn zelf gelden woorden als bevrijding en verwarring niet. Het is de uitdrukking die tot conceptualiseren verviel. Zodra de uitdrukking van Bewustzijn zichzelf herkent, is het meteen ‘dagend Besef’. Dit Besef (shes rab; in Sanskriet prajñā) is een Kennen dat geheel verschilt van het gewone kennen of weten dat de uitkomst is van leren en overpeinzen. Dit Besef is de werkelijke prajñā-paramita, het transcendente Kennen of Besef, dat wil zeggen ‘de uitdrukking van Bewustzijn die zichzelf herkent’. Op het moment van Besef vloeit de uitdrukking van Bewustzijn ‘terug’ in Bewustzijn, en is er helemaal in opgelost. Zo is er alleen de staat van Bewustzijn (Rigpa), die identiek is met de staat van de oer-verlichting van alle boeddha’s, de staat waaruit nooit iets is weggedwaald van zichzelf.

 

Op het moment van Besef zie je dat Besef en Bewustzijn in wezen precies hetzelfde zijn. Besef speelt zich ook nog af in de tijd, maar Bewustzijn niet – in Besef zie je het werkelijke samenvallen van de tijd en het Tijdloze. Weliswaar kan de uitdrukking van Bewustzijn steeds opnieuw, door suggestie en fascinatie, in verwarring gebracht worden, maar zodra de uitdrukking zijn eigen natuur herkent, is er alleen maar Besef. En Besef heeft niets waarin het verschilt van Bewustzijn zelf, zodat er niet nog een ‘stap’ genomen hoeft te worden, of een verwijderingspoging. Herkennen is genoeg – al begint van hieruit wel dat wat nog training kan worden genoemd, het leren stabiliseren hierin.

 

Een bekende en belangrijke uitspraak luidt: “Wanneer de uitdrukking beweegt als denken, is hij verward. Wanneer de uitdrukking tot ‘het dagen van Besef’ komt, is hij bevrijd.” Niet dat dit betekent dat in de staat van de essentie, dat wil zeggen Bewustzijn (Rigpa), ooit enig verschil optreedt. De staat van Rigpa, Boeddha-natuur zelf, is nooit verward en nooit bevrijd. De verwarring en bevrijding kunnen alleen maar plaatsvinden in de uitdrukking (rtsal) van Rigpa.

            De staat van oer-verlichting, de oorspronkelijke, inherente verlichting (ye grol), is de essentie zelf, waar verwarring noch bevrijding is. De staat van gewone stervelingen is een constant geabsorbeerd-zijn door verward denken. Het is de uitdrukking, het denken, dat opnieuw bevrijd kan worden. Terwijl de essentie nooit enig moment verschillend was van de essentie van enige andere boeddha. Dit is het belangrijke punt: herken je eigen essentie. (As It Is, Vol. 1, p. 201-202)

 

Zoals al eerder in dit commentaar gemeld, in Dzogchen bestaat naast deze indeling in twee (essentie en uitdrukking) ook een indeling in drie. Hierin wordt benadrukt dat de essentie niet alleen leeg is, maar ook kennend ­– met andere woorden, de verschilloze essentie kan zowel negatief (‘Niet-iets’, ‘het Conceptloze’) als positief (‘altijd-aanwezig Kennen’) benoemd worden.

            De uitdrukking is dan het derde aspect, dat in Dzogchen ook als ‘ontvankelijkheid’ en ‘vermogen’ wordt geïnterpreteerd, naast de algemeen-boeddhistische interpretatie ‘compassie’ (thugs rje; in Sanskriet karunā). Dit woord thugs rje is soms te beschouwen als een synoniem van rtsal, en soms komen beide termen in samenstelling voor: ‘de rtsal van thugs rje’: zoiets als ‘het dynamische element in de potentie, in het vermogen van Bewustzijn’. Zie ook het artikel uit 2016 op mijn blog ‘Volle Cirkel’ waarin ik het drietal aspecten als gelijkzijdige driehoek toon: https://volle-cirkel.blogspot.com/2016/09/de-dzogchendriehoek-binnen-hettibetaans.html

            Later tekende ik de driehoek opnieuw, maar dan gekoppeld aan mijn eerdere tekening van de medicinale Pil van Nisargadatta, waarop duidelijk getoond wordt waar het begin van dualiteit hem in zit: in het tot Besef komen, óf het erbij laten en niet-besef de bepalende factor in het leven laten blijven. Besef dan wel niet-besef is wat mij betreft het hele punt.        

            Zie hieronder mijn nieuwe versie van de driehoek, waarin het drietal als het hier besproken tweetal wordt getoond. Je zou kunnen zeggen dat de driehoek, met de rode punten, ontleend is aan Tulku Urgyen, en de uitstralende cirkel aan Nisargadatta.

 


    3

De eenheid van Leegte (stong pa nyid) en Kennendheid (gsal ba; cognizance) heeft een door niets gehinderd en niets verhinderend (ma ’gags) vermogen (thugs rje). Als het door iets gehinderd werd, zouden we niet in staat zijn iets te kennen. Dan zou er een totale blank zijn, een vacuum-staat. Als Kennendheid en Leegte geen eenheid zouden zijn, zou het eerste zich alleen maar tijdens denken afspelen en het tweede tijdens niet-denken. Conceptueel denken blokkeert, hindert, belemmert, begrenst (...). De ‘uitdrukking (rtsal) van Bewustzijn (Rigpa)’ is onbelemmerd (ma ’gags), dat wil zeggen door niets gehinderd en niets verhinderend. Als het niet onbelemmerd zou zijn, zou Bewustzijn helemaal geen capaciteit of vermogen tot manifesteren hebben. Maar essentie heeft een vermogen tot manifesteren. De dharma-kāya en sambhoga-kāya manifesteren zich wel degelijk [en wel als nirmāna-kāya, met de historische Shakyamoeni Boeddha als bekendste voorbeeld van dit gemanifesteerde]. (As It Is, Vol. 1, p. 192)

           

   Appendix

 

Hierbij nog een tekstfragment dat op de vorige tekstjes aansluit, uit een ander geschrift, namelijk van de achtste-eeuwse Padmasambhava, door velen beschouwd als grondlegger van Dzogchen. Het is een citaat uit een boek van John Reynolds, Self-Liberation Through Seeing With Naked Awareness (p. 26 en 64):

 

Vanwege de door niets gehinderde en niets verhinderende natuur van de geest is er een voortdurend verrijzen van verschijningen en verschijnselen. Het is vergelijkbaar met hoe de golven zijn ten opzichte van het water van de oceaan, die immers geen twee verschillende dingen zijn: alles wat verrijst is al bevrijd in de natuurlijke staat van de geest.

 

Dit is wat mij betreft een zeer verduidelijkend tekstje. Omdat de natuur van de geest (sems nyid) niets verhindert en door niets gehinderd wordt (ma ’gags), is er een volledige vrijheid van verschijnen! Verschijnselen dienen zich voortdurend aan, en hoewel het verschijnsel zelf eventueel ‘illusie’ genoemd kan worden, is ‘het zich aandienen van verschijnselen’ op zich geen illusie. Het is gewoon ‘het derde aspect van onze ware natuur’. Vandaar dat vrijheid altijd op ons wacht. Niet als een genade ‘van buiten af’ – nee, als inherent aan onze ware natuur.

            Onze ware natuur, inclusief de uitdrukking daarvan, de huidige Beleving, is constant vrij. Dit is de kern van de zaak. Het is niet zo dat Beleving op zich, de huidige uitdrukking, nog ‘doorzien’ moet, of ‘weggewerkt’, om het Absolute te kunnen zien. Nee. Heel gewoon: de uitdrukking is één van de drie aspecten (1 stong pa nyid, het lege; 2 gsal ba, het kennende, 3 ma ’gags, ‘het door niets gehinderde en niets verhinderende’), als een ‘voortdurend verrijzen van verschijningen en verschijnselen’. Dat wil zeggen, Leegte en Kennen zijn weliswaar ‘essentie’ te noemen, maar het derde aspect is gewoon onlosmakelijk ermee verbonden, want ‘unobstructed’ (ma ’gags), dat wil zeggen ‘door niets gehinderd en niets verhinderend’.

            Dit is werkelijk het kernpunt van vrijheid: het feit dat het vermogen van Bewustzijn tot manifesteren door niets gehinderd wordt en ook niets verhindert. Bewustzijn verhindert geen enkele verschijning, geen enkele expressie, want het is al in harmonie met zijn huidige object.

 

_____________

 

De eerste versie van dit artikel dateert van 2009. Zie op de site advaya.nl twee tekstjes uit hetzelfde jaar: mijn eerste artikel over Dzogchen en een vertaling van een tekstje van Tsoknyi, een zoon van Tulku Urgyen.

 

Tulku Urgyen Rinpoche, As It Is, Vol. 1. Boudhanath: Rangjung Yeshe, 1999. Engelse vertaling Erik Pema Kunsang (Schmidt).

John Reynolds (vert.), Self-Liberation Through Seeing with Naked Awareness. Barrytown, NY: Station Hill, 1989.

vrijdag 27 augustus 2021

maandag 19 april 2021

woensdag 23 september 2020

    

 

 

 

 

 

 

‘Daar is niks mis mee’

            Over de twee extremen in de huidige advaita,

         met methodes, oneliners en vallende kwartjes

           

In veel gevallen van onmin binnen het moderne advaita-milieu wordt over het hoofd gezien dat de kern van alle non-dualistisch onderricht door de eeuwen heen altijd al neerkwam op het volgende:

            “Jij bent altijd al, ja altijd al, bevrijd, ontwaakt en verlicht.”

        

Adi-boeddha heette dit, zowel in vedantische alsook enkele boeddhistische vormen van non-dualisme. Adi-boeddha wil zeggen dat verlichting nooit niet is geweest, omdat er niet een oorsprong van valt aan te wijzen. ‘Verlicht’ is wat je altijd al bent, want jij bent niet geboren, en Kennend Licht oftewel Bewustzijn is altijd al het geval. Het is a priori.

            De zesde-eeuwse tekst Gaudapada Karika, die beschouwd kan worden als de oorsprong van de Advaita Vedanta, zegt dan ook onomwonden:

 

“De ware natuur van alle als fenomeen opmerkbare wezens is net zo beginloos als het luchtruim. Je kunt daar geen verschillen constateren, of veelvoud. Alle wezens zijn klaarblijkelijk al verlicht ‘vanaf het allereerste begin’ (adi-boeddha)” [vers IV.91-92].

 

Sommige mensen zeggen dat dit alles is, en dat we het dus verder niet meer hoeven te hebben over het ‘bereiken’ van verlichting. In het huidige tijdperk komt dit steeds vaker voor. Zulke mensen noemen dit dan bijvoorbeeld ‘het kwartje is gevallen’, of gebruiken een andere oneliner. Vaak ook zeggen zij iets als ‘ik ben er niet’, wat de zaak nog eenvoudiger maakt. Het idee dat er door de eeuwen heen in alle non-dualistische tradities gesproken is over een jarenlang onderricht en de noodzaak van een zekere beoefening of training, is vanuit de blik van iemand die ‘er niet is’ uiteraard volslagen onzinnig.

 

Dit is een van de twee extremen (vaak door anderen ‘neo-advaita’ genoemd) die de polen vormen binnen de moderne advaita vedanta. Het andere extreem vormt de groep die ik hier voor het gemak aanduid als de ‘methodische vedanta’. Advaita vedanta wordt hierin aangeboden als een soort cursus, helemaal gebaseerd op ‘knowledge’ – wát er dan ook maar precies met dit Engelse woord wordt bedoeld behalve de knowledge die in deze benadering vaak ‘vedisch’ wordt genoemd. ‘Ervaring’ (experience) wordt in deze contreien geschuwd als een zeer foutief woord, en zelfs het directe in het onderricht blijkt niet helemaal de bedoeling.* De shruti, dat wil zeggen de ‘onfeilbare woorden’ in Veda’s en Upanishads, daar draait alles om.

 

Wat mij betreft gaat het om een middenweg. Ik beschouw de beide genoemde extremen als ‘uit het midden geraakt’. De eerste doet aan te weinig, want is geheel onvolledig, en de tweede doet aan teveel, want is doorgeslagen.

           

Zoals gezegd, het altijd-al-verlicht-zijn blijft het uitgangspunt. Maar wat moet je doen als je dit verlicht-zijn niet kunt opmerken? Want allerlei vormen van fascinatie hebben er bij vrijwel ieder mens voor gezorgd dat het zicht op zijn ware natuur, de in ieder mens aanwezige ‘boeddha-natuur’ of ‘verlichtings-natuur’, versluierd is geraakt. Elk onderricht draait eigenlijk om het doorzien van deze versluieringen – althans, dit geldt natuurlijk slechts voor zover iemand erkent dat er nog versluieringen van zijn zicht optreden. Bij de ontkenning daarvan is er natuurlijk geen noodzaak meer tot enig spreken, laat staan onderricht.

 

Verschil van mening over het idee dat bevrijding bestaat en dat er een ‘weg’ zou zijn om bevrijding deelachtig te worden, komt wat mij betreft vooral neer op misverstand rondom begrippen. ‘Kennis’, ‘ervaring’, ‘training’, ‘bewustzijn’, ‘direct’, ‘weg’: al die woorden zijn volkomen afhankelijk van ieders interpretatie ervan.

            Dus zodra mensen beweren dat er ook nog een zekere ‘beoefening’ of ‘training’ noodzakelijk is, hangt het er wel vanaf wat ze daarmee bedoelen.

            Er zijn twee mogelijkheden:

 

1.  Je traint naar iets toe. Om ergens te komen of iets te bereiken, namelijk bevrijding.

2.  Je traint vanuit iets. Niet om ergens te komen, maar als een natuurlijk vervolg op een eerste herkenning van je ware natuur. Je voelt dat het éénmaal herkennen van je ware natuur niet ‘het einde’ is en dat de herkenning nog een zekere gewenning behoeft om in te kunnen dalen in je hele systeem. Je traint vanuit het reeds herkende ‘zien zelf’.

 

Ik beschouw dit als twee volledig verschillende zaken, die wel helder uit elkaar gehouden zouden mogen worden. Als iemand er het eerste mee bedoelt, ben ik het eens met de ‘kwartje-viel’-benadering waarin gezegd wordt dat er helemaal niet iets is om naartoe te gaan, omdat jij dat al die tijd al bent. Ergens naartoe gaan en ergens voor studeren betekenen gauw dat er geen oog meer is voor het onmiddellijke. En wat mij betreft is het onmiddellijke oftewel directe juist een van de kernpunten van non-dualiteit. Als je altijd al, en dus ook vanaf je geboorte, verlicht bent – althans in potentie – dan kan de realisatie daarvan, het daadwerkelijk verwerkelijken ervan, uiteraard alleen maar onmiddellijk zijn. Daar kan geen weg naartoe zijn. Geen uitstel, geen cursus of methode, geen enkel medium of middel kan daartoe als een hulp dienen.

           

Maar om meteen te claimen dat de realisatie al zodanig is ingedaald dat er geen enkele vorm van verwarring meer opkomt, zie ik als een valkuil van de andere zijde – de nadruk op ‘helemaal niemand hier’. Een niet-iemand die zich op de niet-bestaande borst klopt. De verwarring die je bij zo iemand nog kunt zien optreden, wordt dan vaak met de uitspraak ‘maar ook daar is niks mis mee’ beantwoord. Steeds blijkt bij mensen van de ‘oneliner-advaita’ dat elke beweging, elk detail, haastig vergezeld gaat van deze gouden uitspraak ‘daar is niks mis mee’.

 

Het is trouwens een heel opvallend fenomeen dat aan beide zijden, in beide extremen, een nadruk blijft liggen op redeneren.

            Aan de ene zijde, de zogenaamde neo-advaita, blijkt in de redenering een hoofdrol weggelegd te zijn voor het niet-bestaan van vrije wil. Er wordt een weten omtrent het niet-bestaan van vrije wil aan de dag gelegd, waarbij in het bespreken van talloze onderwerpen de conclusie steeds op hetzelfde neerkomt, namelijk ‘dat ik daar niets aan kan doen, omdat het gewoon gebeurt zoals het gebeurt’. Ik zou dan zeggen: ‘Oké, dan zijn we uitgepraat, want taal vervalt hier’, maar je ziet dezelfde mensen steeds opnieuw ditzelfde blijven zeggen en zelfs een gehoor ervoor uitnodigen.

 

Aan de andere zijde word je snel overspoeld met argumenten die stammen uit het India van minstens drie eeuwen geleden. Het blijkt herhaaldelijk om ‘onfeilbare teksten’ te gaan, en vandaaruit wordt dan geredeneerd. Nee, dat levert in het algemeen niet iets op dat ik als echt intelligent ervaar. Veel in deze rigide benadering vind ik eerlijk gezegd een vorm van fundamentalisme. Met iemand praten die uitgaat van dogma’s, met ‘onfeilbaarheden’, dat is voor mij vrij gauw onmogelijk.

 

Maar wat wel meteen hierna gezegd moet worden is dat ik zelf de aandacht voor de schriftelijke traditie heel waardevol vind. En ook moet ik erbij zeggen dat ik bij mijn huidige vertaalwerk van het advaita-geschrift Viveka Chudamani veel heb gehad aan het commentaar van Swami Dayananda, die een van de belangrijkste figuren was uit de ‘methodische’ advaita. Een aantal details heeft hij me op een wel degelijk intelligente manier helpen verduidelijken, waar ik hem oprecht dankbaar voor ben. Maar dat is allemaal via het geschreven woord. Dan is de nauwgezette aandacht voor traditie echt op zijn plaats, want het kan allerlei vaagheden tot helderheid brengen. Wat het mondelinge onderricht betreft is dit tot helderheid brengen uiteraard precies zo de hoofdzaak, maar het verloopt gewoon veel onbegrijpelijker. Dan kom je in aanraking met het wonder. Oog in oog met elkaar wordt het meteen een heel andere manier van doen. Het ware onderricht is wat mij betreft altijd mondeling onderricht, en dit is per definitie direct onderricht. Nooit is het een methode. Het draait altijd om het natuurlijke contact – de enige gelegenheid waarbij je ‘als vanzelf’ op blinde vlekken gewezen kunt worden. Een methodische behandeling van geschriften is in de meeste gevallen niet zo geschikt om binnen te brengen in dit directe onderricht; het kan heel vertragend werken. Wel kun je pratend uiteraard van alles erbij halen, ook tekstdetails die ertoe doen, zeker, maar niet ten koste van het onmiddellijke contact, het oog in oog staan. Oog in oog met het mysterie, dat wil zeggen zo min mogelijk redenerend, want de kern van de zaak heeft nét niet met een argument te maken.

            Of er wel of niet zoiets is als vrije wil, kun je volgens mij niet weten. Niet voor niets zei Ramana Maharshi in zijn Veertig verzen:

 

“Degenen die discussies voeren over wat uiteindelijk de doorslag geeft, lotsbestemming of vrije wil, hebben geen weet van de Bron van zowel lot als vrije wil. Zij die het Zelf kennen als de Bron van lot en vrije wil, zijn vrij van beide. Zullen zij er dan nog in verstrikt kunnen raken?” [vers 19].

 

Alles draait wat mij betreft om het onmiddellijke Besef. Besef heeft geen enkel soort ‘wil’ nodig, geen tijd, geen enkele redenering, geen ‘kennis’ of methode. Dat alles is dan gestopt.

            Er is niet iemand die Besef heeft ­of die in Besef te vinden is – ook ieder ‘iemand’ is gestopt. Wat evident is en nooit onvrij was, is zien zelf.

 

*  Zo kwam ik bijvoorbeeld onlangs uitspraken tegen waarin kritiek werd geüit op het directe element in het onderricht van Atmananda (Krishna Menon). Zie: www.shiningworld.com/site/satsang/read/2700

 

 

 

 

 


dinsdag 25 augustus 2020

         
    Over de heilige volgorde
    en het ‘nut’ van
    non-dualistisch inzicht
           
            1   De bruiloftsgast is onvindbaar

Je zult waarschijnlijk wel eens hebben gehoord van Ramana’s verhaal over de bruiloftsgast. Hij gebruikte deze figuur als beeld voor de ‘ik-figuur’ oftewel het ‘ego’. De bruiloftsgast was iemand die prominent aanwezig was tijdens een hindoe-bruiloft; hij wordt door Ramana beschreven als iemand die door beide partijen aangevoeld werd als een belangrijk persoon, als iemand die je zelf niet kende maar die door de mensen van de andere familie klaarblijkelijk zeer gewaardeerd werd. Je gaat dan niet meteen informeren wie dat is, je laat eerst alles even gebeuren uiteraard. Ik kan me voorstellen dat het iemand was die ook geestig was, aantrekkelijk, smaakvol – hoewel misschien voor sommigen ook wel een beetje arrogant en irritant. In ieder geval voelde hij fascinerender dan de anderen. Je raakt dan benieuwd naar zo iemand. Wie is deze figuur in godsnaam?
            Op het moment echter dat daadwerkelijk onderzoek naar deze bruiloftsgast werd gedaan bleek hij helemaal onvindbaar. ‘Via een zijdeur het pand verlaten’, zoiets? Niemand kon er de vinger op leggen.

Deze schitterende figuur gebruikte Ramana Maharshi dus voor de in ieder van ons prominent aanwezige ‘ik-figuur’. Zoals de ‘ik-figuur’ in een boek de hoofdpersoon in de ik-vorm is, zo is het ook de absolute hoofdpersoon in onszelf, in ons innerlijk gevoel.
            Zo’n voorbeeld van een uiterlijk belangrijke figuur van een bruiloftsgast kun je meteen voelen als een hulp, namelijk om een dergelijke figuur gemakkelijk als een object te zien, ook innerlijk.

Ook als je af en toe stilzit, of ‘mediteert’, kun je deze ik-figuur waarschijnlijk wel langs zien komen.
            Steeds is hij een object, namelijk van Zien, van Bewustzijn. Wanneer je een openheid meemaakt, een afwezigheid van kleefkracht, kun je heel makkelijk opmerken hoe deze gast in je psyche langskomt.
            Je ziet dan: “Ik zie dat deze ‘ik-figuur’, deze fascinerende, bijzondere verschijning, optreedt in een totaal open en leeg ZIEN, oftewel Kennen.”
           
En zodra je echt ‘als nieuw’ kijkt wie of wat die ik-figuur toch is, kun je waarschijnlijk zelfs zien dat hij dan helemaal verdwenen is. Hij is dan niet meer te zien. Hij blijkt niet tegen het licht te kunnen dat dit echte ZIEN bevat. Je zou kunnen zeggen dat de ik-figuur bestaat dankzij een schemersfeer. Op de momenten van licht blijkt hij louter projectie te zijn – en een projectie kan niet tegen het volle licht. 

                    
           
            2   Het omgaan met deze ‘onvindbare’ gast

Toch kan er, na zo’n stukje over de bruiloftsgast te hebben gelezen, natuurlijk wel iets opkomen als ‘Ja, alles goed en wel, dan zie je die leegte, die afwezigheid van de ik-figuur, maar wat dan nog? Wat héb je daar eigenlijk aan?’ Daar wil ik graag op ingaan. Allereerst wil ik zeggen dat noch ik, noch iemand die ik ken, eenzelfde absoluutheid aan de dag legt (of kan leggen) als Ramana Maharshi. Alle mensen die ik ken willen nog net als ik graag in een omstandigheid leven waarin een aantal dingen voldoende verzorgd zijn. Er zijn klaarblijkelijk nog steeds belangen. Ik ga er daarom ook van uit dat het bij het spreken over ‘de afwezigheid van de ik-figuur’ het beste is om niet te doen alsof ook wij net als Ramana zijn. We hebben nou eenmaal om te gaan met het reëel voelende gegeven dat we nog geïnteresseerd zijn in deze wereld, en dat er daardoor nog allerlei identificaties met de ik-figuur kunnen optreden.
            Wat mij betreft gaat het om een verzwakken van de geloofwaardigheid van deze ik-figuur. In Ramana’s manier van spreken IS de ik-figuur er gewoon niet, ‘want jij bent alleen maar Bewustzijn zelf’, dus lijken we daar genoeg aan te hebben. Voor de meesten van ons is dit uiteindelijk wel waar, maar de echtheid ervan moet toch nog herhaaldelijk herkend worden. De training is er om gewend te raken aan dit herkennen van jezelf als louter Zien, louter Bewustzijn.

Het gaat vooral om een verschuiving van een gewenning. Door herhaaldelijk een echte onderbreking in je dagelijkse gedachtegewoontes toe te staan kun je daadwerkelijk zien dat de ik-figuur er helemaal niet is. Je wordt op zo’n moment geconfronteerd met Werkelijkheid. Maar vlak erna doemt de ik-figuur weer op. Hij heeft opeens weer een heel geloofwaardig verhaal! Je was iets vergeten, of je had iets overgeslagen, dus moet je binnenkort... Iets in het verhaal kan meteen geloofwaardig klinken.

Het belangrijkste is misschien wel dat je oog krijgt voor de zoekbeweging die nu nog steeds werkzaam is, maar die door de herhaaldelijke herkenning van leegte, van afwezigheid van de ik-figuur, eindelijk aan zijn eind kan komen. Volgens mij kan dat alleen maar door werkelijk te zien dat er niets te zien is, niet iemand, niet een schim, en zeker geen verhaal.
            De zoekbeweging gaat eigenlijk altijd naar binnen. Het gebruikelijke gevoel is dat binnenin iets moet worden opgelost, of hersteld. Ik heb wel eens een tekening gemaakt van twee richtingen, een naar binnen en een naar buiten.

                                         
 Deze tekening is hier aan de orde. De moderne mens is enorm geïnteresseerd in zijn eigen psyche, zijn ‘innerlijk leven’. Daarin lijkt hij steeds zijn oplossing te willen vinden voor de ingewikkeldheden die hij meemaakt. Alle strategieën, alle methodes, zijn allemaal gebaseerd op dit ‘innerlijk leven’. Ook alle spirituele technieken en succesformules die je tegenkomt zijn gebaseerd op dit innerlijk – ‘de weg naar binnen’. Weliswaar met beloftes van beloningen in de buitenwereld, maar in feite met een sussende houding ten opzichte van dit innerlijk – dat heel vaak nog onvolwassen is gebleven, met hunkering en wrok. Zoeken naar bevrijding of verlichting is in bijna alle gevallen een beweging naar binnen.

Wat ik beschouw als een van de meest nuttige dingen die voortkomen uit de herkenning dat je psyche in werkelijkheid louter Kennende Leegte is, is het diepe besef dat dit neerkomt op vrede. Zodra je werkelijk kijkt, zie je namelijk dat strijd helemaal beëindigd is. Er is niet iemand, ook niet iemand ‘boven’ je. Vrede blijkt al het geval.[*]
            Als het echt tot je doordringt dat dit inderdaad al het geval is, door dit herhaaldelijk aan te treffen in de stilte die je toestaat, ga je leven vanuit dit, in plaats van ernaartoe. Dan zie je wat ik met dat tweede tekeningetje bedoel, waarop de pijlen naar buiten stralen. Als je dit aantreffen helemaal gaat toestaan, als het ware van kruin tot voetzool, houdt de hele zaak op, alle kwesties van schuld en wraak. Alle inhoud, elk verhaal, moet namelijk nu nog pas beginnen. Je hebt de kleefkracht zodanig onderbroken dat er nu een schoon blad voor je ligt – ook al is het eveneens waar dat je karmische inhoud, met alle emotioneel-gekleurde verhalen van vroeger, zich in een oogwenk weer kan melden. Vandaar dat ik altijd aanraad om het herkennen van het Lege Kennen eventueel kort te laten zijn maar wel vaak te laten gebeuren. En het toestaan van de onderbreking, met daarin een herkenning van de afwezigheid van de ik-figuur, moet wel totaal zijn. Hoe kort de herkenning ook moge zijn, het moet wel echt herkenning zijn. Een zien dat er uiteindelijk slechts ZIEN is. ‘Zien ziet zien’, noem ik het wel eens.
            Dan besef je ook meteen dat dit wel degelijk de waarheid is, ook al kun je dit als persoon misschien nog niet helemaal waarmaken in je leven. Het is gewoon waar, hoe alle manifestatie zich verder ook zal aandienen.
            Door deze waarheid te blijven herkennen als ‘meer waar’ dan de verhalen van de ik-figuur en ook meer waar dan de slingerende waarheden die ons via de media bereiken, zullen de verhalen gaandeweg afnemen, of in ieder geval de geloofwaardigheid ervan. Op deze manier leer je ook om om te gaan met deze nog opkomende ik-figuur. Net zoals je kunt zien dat hij, zodra je echt het licht erop laat vallen, verdwenen is, kun je ook zien dat hij toch daarna weer opkomt; dat wil zeggen dat deze ‘onvindbare’ bruiloftsgast toch gewoon opnieuw verschijnt, en wel als een object van constant ziend en licht-schenkend Bewustzijn. Je leert zo dus om hem meer en meer als een object te zien, niet in de zin van een kille afstandelijkheid, maar als te onderscheiden van Jij die kijkt. Je hebt voor een moment daadwerkelijk gezien dat hij er niet is: je kunt dat ‘leegte’ noemen, een afwezigheid van fenomenen. En erna komt de ik-figuur toch op: dat wil zeggen dat in deze leegte zo maar een fenomeen optreedt. Je kunt dit gemakkelijk onderscheiden.
           
Ik beschouw het als groots als je werkelijk ziet wie of wat je bent; je kunt dan zien dat een van de meest essentiële eigenschappen van je eigen natuur vrede is. De ik-figuur bevat in het algemeen weinig vrede, maar Dat wat de ik-figuur ziet is altijd al in vrede en harmonie met zijn huidige object.
            Dit betekent dat je nu, misschien wel voor het eerst, naar alle dagelijkse dingen en voorvallen kunt kijken zonder een filter of sluier. Veel mensen doen casual over dit punt, maar volgens mij is dat niet dienend. Dit herkennen van vrede en ongefilterdheid is namelijk uniek.

De schets die hier gegeven wordt, van eerst zien dat er niet iets te zien is en erna eerlijk te erkennen dat er wel degelijk opeens een figuur oprijst, noem ik ‘heilige volgorde’. Ik noem het heilig omdat het kijken vanuit het eerste gegeven, waar blijkt dat die ik-figuur werkelijk niet te vinden is, betekent dat je oog hebt voor het ‘begin’ van alle fenomenen, en dat je vervolgens kunt kijken vanuit deze afwezigheid, vanuit deze leegte. Wát er ook maar hierna kan verrijzen, dat is klein en kort vergeleken bij Zien-op-zich. Het kijken vanuit het lege Zien-op-zich beschouw ik als het meest betrouwbare dat er is. De term ‘heilig’ gebruik ik om aan te geven dat dit Zien zelf niet iets van een persoon is, en dat dit daarom vooraf moet blijven gaan aan de aandacht voor persoonlijke opwellingen.
            Zodra je dit in praktijk brengt, maak je mee dat je ongefilterd naar andere mensen kunt kijken, zonder een gekleurde bril. Je gelooft je projecties niet meer. De mens is dit in het algemeen niet gewend, vandaar dat ik dit uniek durf te noemen.
            Ja, het is groots, dit Zien zelf, deze Bevrijder. 




[*]  Vanuit dit zicht heb ik de Universele Verklaring van de Ware Natuur van de Mens kunnen schrijven. Daarin schets ik de mogelijkheid dat ieder mens leert kijken vanuit zijn ware natuur, die vrede genoemd kan worden.
Zie   http://www.verklaringwarenatuur.org/Welkom.html

maandag 27 januari 2020



Ronald Molag heeft ook een eigen blog, genaamd Advaita training. Ik vind het zeer aan te bevelen: 
https://advaitatraining.jouwweb.nl/


zondag 1 december 2019


                  

      De Sleutel, deel 2
                    
                         “Ja, dit is inderdaad het hoogste”

In het tekstje van Longchenpa dat hiervoor op dit blog was geplaatst in het artikel ‘De Sleutel’, werd duidelijk in woorden aangegeven wat we mogen beschouwen als ‘de kern van de zaak’. In een ander gedeelte van zijn Chöying Dzöd, het boek waar het tekstje uit afkomstig is, reikt Longchenpa een soort vervolg hierop aan, niet in de zin van een voortzetting van woorden voor hetzelfde kernthema, maar als een uitgangspunt voor het kunnen beoordelen van al het andere dat over geestelijk leven en bevrijding is geschreven en onderwezen. Hij schrijft daar: “Vanuit het hogere perspectief van de Grote Volmaaktheid (Dzogchen) worden alle gezichtspunten en meditaties van deze andere benaderingen beschouwd als bestemd voor spiritueel-onontwikkelde mensen, omdat deze benaderingen het kernpunt helemaal missen door de essentie van Bewustzijn-op-zich niet op te merken.” [1]
              Op een tekstje als dit zou meteen een reactie kunnen opkomen in de trant van “Wat een arrogante houding! Spreken in termen van ‘Ja, dit is het hoogste’! Alsof die andere benaderingen niet op zich een net zo betrouwbare manier hebben om ‘de kern van de zaak’ aan te duiden!”
              Ja, voor het gezonde verstand is dit een heel begrijpelijke reactie. Het punt is echter dat Longchenpa wijst naar het daadwerkelijk opmerken van Bewustzijn-op-zich – met andere woorden, door wie dit opmerken ook maar wordt gedaan. Het gaat erom óf het wordt opgemerkt of niet.

Tibet is een geïsoleerd gebied, ook nu nog, maar zeker in de veertiende eeuw. Toen kon iemand daar weinig informatie inwinnen over andere tradities. In de huidige tijd, doordrenkt van de verworvenheden van de Westerse Verlichting, kunnen we constateren dat er wel degelijk een paar tradities zijn buiten de genoemde ‘Grote Volmaaktheid’ die in feite een exact zelfde nadruk leggen op het essentiële punt genaamd ‘Bewustzijn-op-zich’. Hoewel het helaas nog steeds vanzelf lijkt te spreken dat deze tradities op hun beurt dit kernpunt, dit ‘Ja, dit is inderdaad het hoogste’, snel koppelen aan het unieke en superieure van hun eigen vorm, doen we er goed aan deze verouderde, zich-toe-eigenende reactie hier even terzijde te leggen. Dan kunnen we namelijk meteen oog krijgen voor het grootse gegeven dat op verschillende plaatsen en binnen verschillende traditionele manieren van spreken reeds gewezen is op exact hetzelfde kernpunt: het lege, aan elke vorm van manifestatie voorafgaande Bewustzijn oftewel Kennen. In de Indiase (Sanskriet-) ingang wordt dit Chit genoemd, in de Chinese noemt men dit Zhi, en in de Tibetaanse heet dit Rigpa. Het zijn wel verschillende termen (en het zijn er uiteraard meer dan deze drie), maar Dat waarnaar deze termen verwijzen is volstrekt Verschilloos. Het is leeg, conceptloos Kennen als zodanig – ‘in al zijn naaktheid’.

                                                                    

In een eerder artikel, ‘Over het herkennen van het belang van het universele in non-dualisme’, werd al een nadruk gelegd op het gegeven dat de mogelijkheid om deze benaderingen identiek (of in ieder geval eensgezind) te noemen, louter en alleen gebaseerd is op het Conceptloze. Dit betekent dat ze allemaal erkennen dat de kern onmogelijk omschreven zou kunnen worden. Wat je ‘het ware zicht’ kunt noemen, is de herkenning dat elke verwoording van de kern er in feite al naast is, dat het Conceptloze er namelijk al is, en dat alle concepten en interpretaties bovenop de conceptloze Werkelijkheid of ‘aldus-heid’ gelegd worden. Dan zal blijken dat vedantische termen om dit aan te duiden herhaaldelijk langs de kern van de zaak schieten. En ook boeddhistische termen schieten herhaaldelijk, op precies dezelfde wijze, langs de kern van de zaak. En andere benaderingen (zoals soefistische, taoïstische enzovoort) schieten herhaaldelijk op precies dezelfde wijze langs de kern van de zaak – terwijl al deze vormen van onderricht wel degelijk kunnen spreken vanuit hetzelfde conceptloze, verschilloze zicht.

                                                                   

Dit Verschilloze verdient wat mij betreft meer aandacht. Allereerst natuurlijk op zich, als zijnde de opening van vrijheid voor iedere oprechte zoeker, maar meteen erna als het dienende element in het onderzoeken van de mogelijkheid van vrede tussen mensen. Als eenmaal gezien kan worden dat dit conceptloze, naakte, verschilloze Bewustzijn de waarachtig bevrijdende factor is in het leven van ieder mens, waar ook woonachtig, kan een enorme hoeveelheid aandacht die nu naar onnodige zaken uitgaat, beëindigd worden. Veel aandacht gaat nu nog steeds naar pogingen om te laten zien dat de eigen benadering beter is dan iedere andere. De ‘superioriteitswaan’ kun je dit noemen.
              Stel dat er eens een eind gebracht zou kunnen worden aan het eindeloos strijden om de superioriteit, allereerst in het geestelijke milieu! Dat zou groots zijn. Ik blijf voelen dat het echt mogelijk is. Waar namelijk door de ware non-dualistische tradities [2] naar gewezen wordt als kern van de zaak, is honderd procent identiek, ook al blijven ze nog steeds hardnekkig beklemtonen dat ze ‘boeddhistisch’ zijn, of juist ‘vedantisch’. Ja, de woorden zijn herhaaldelijk verschillend, maar de strekking ervan niet.
              Het benadrukken van het lege en conceptloze Bewustzijn als de kern van de zaak is het punt, en niet dat dit spreken afkomstig is uit een specifieke hoek. Vandaar mijn pleidooi voor ‘Universeel Non-dualisme’ als een soort vervanging van de verschillende compartimenten met al die namen van groeperingen en tradities. Deze nadrukkelijk van elkaar gescheiden manieren van spreken voelen voor mij als volkomen verouderd. Zodra een westers mens bijvoorbeeld zegt “Ik ben boeddhist”, kan mij dat het gevoel geven alsof we een stap terug in de tijd worden gezet.
   
                                

Wat mij betreft is het een kwestie van afdalen tot de kern van de zaak, en daar bereid zijn om zo waarachtig mogelijk uit te wisselen met een anders-sprekend iemand die eveneens tot de kern van de zaak is afgedaald. Daar een paar termen toelichten, en merken dat sommige inwisselbaar zijn voor andere, enzovoort. Goed luisteren, en samen checken of een specifieke term de zaak dekt of niet, uit welke hoek hij ook komt. Ieder vooroordeel herkennen in jezelf, en de inhoud ervan niet honoreren als geloofwaardig.
              In mijn boek Non-dualisme heb ik het universele, diepgaand-identieke aspect benadrukt. Zo heb ik geprobeerd aan te geven welke kenmerken, naast het genoemde Bewustzijn, werkelijk te benoemen zijn als universeel-geldende factoren waardoor je bij specifieke benaderingen mag spreken van ‘superieure’ benaderingen – superieur in de zin van werkelijk bevrijding schenkend, en niet bevrijding voorhoudend als prachtig ideaal voor ‘ooit het geval’. Wat ik universeel non-dualisme noem, betreft uitsluitend het directe onderricht dat in dit leven bevrijding schenkt.
              In het zoeken naar de hiertoe bepalende kenmerken kwam ik tot een vijftal. Niet dat dit als een definitieve afbakening geldt uiteraard, maar meer als ‘er doemt geen zesde op’ – dus ‘vijf’ als willekeurig getal, zonder enige geestelijke betekenis. [3] Om het hoofdstuk dat hierover gaat (‘De vijf kenmerken van universeel non-dualisme’) [4] een beetje toe te lichten: vanuit dankbaarheid wil ik graag eerst zeggen dat ik alle tradities die mij nog steeds dragen en bevruchten, als gelijkwaardig beschouw, en dat ik ze als afzonderlijke tradities voel als bijna volledige vormen van onderricht, waar dus eigenlijk vrijwel niets aan ontbreekt. Ze zijn alledrie, Advaita, Chan en Dzogchen, al ‘bovenop de berg’, dat wil zeggen dat je naar alle windstreken kunt kijken om open te staan voor de mogelijkheid van een zich aandienende aanvullende factor. Vóór dit moment was je nog aan het klimmen, waardoor je maar een gedeelte van het landschap kon zien. Per definitie werkte dat als een beperking.
              Ieder geestelijk onderricht claimt groots te zijn, en daarbij vaak meteen ook ‘het beste’, ‘superieur’. Hoe kun je er dan achter komen of een dergelijke claim gebaseerd blijkt te zijn op een van de vele beweringen, of op iets dat gegrondvest is in de conceptloze Werkelijkheid? Op superioriteitswaan of op het superieure, bevrijdende inzicht dat aan alle persoonlijke superioriteit een einde maakt?
       Je kunt hier achter komen door je eigen onderscheidingsvermogen te gebruiken. Is het zojuist gemelde onderricht wel gebaseerd op louter Bewustzijn? Is het wel gebaseerd op Leegte, Niet-weten, Niet-iets, dat wil zeggen het Non-conceptuele? Is het wel gebaseerd op ‘altijd-al-verlicht’, ‘a priori verlicht’? Met andere woorden op Tijdloosheid, het Onveranderlijke, reeds aanwezige, dat wat niet gezocht kan worden? En is het gebaseerd op het onmiddellijke, en meteen erna ook: op het natuurlijke? Als één ervan ontbreekt, is er misschien toch iets aan de hand. Dan wordt er misschien iets getoond dat in feite een soort tussenstation is. En, eerlijk gezegd, geen tussenstation heeft ooit tot verlichting geleid.

                                                

Uitsluitend je eigen onderscheidingsvermogen kan duidelijkheid hierover schenken. Lees de teksten van de genoemde tradities, en kijk door de bijzaken heen.
              Zodra je de hoofdzaak in de aandacht blijft houden, zul je zien dat ze het hier, wat betreft de werkelijke hoofdzaak, al helemaal eens zijn, ondanks de schijn van het tegendeel. Hierdoor, door het zien dat zo veel heldere mensen het hierover eens zijn, kun je zelf steeds dieper overtuigd raken van de waarheid ervan. Ze zijn het onwrikbaar eens; alles klopt – terwijl ze wel degelijk vrij ver uiteen woonden: India, China, Tibet, en later nog Korea en Japan.

Het is dankzij het waarachtige Onderricht binnenin deze tradities dat ik kan zien wat Werkelijk is, en wie ik werkelijk ben.
              Dankbaar ben ik, en deze dankbaarheid beschouw ik als een draagvlak. Zo voel ik mij gedragen in ‘mijn eigen’ traditie: Alexander Smit reikte het mij letterlijk aan, in levenden lijve, onder de noemer ‘Advaita’ (gebaseerd op de ingangen van Nisargadatta en Atmananda). Dat wil zeggen dat hij de kern daarvan doorgaf. Het directe, het onbeschrijflijke. En meteen erna zie ik dat een paar andere tradities, zoals Dzogchen en het oorspronkelijke Chinese Chan, precies dezelfde kern hebben doorgegeven. De nadruk op universeel non-dualisme is niet een vorm van ‘vergelijkende filosofie’, nee, totaal niet. Pas na het doordringen van waarachtig Besef kun je zien dat de ingang tot dit Besef niet per se gebonden is aan de taal van je eigen traditie, dat wil zeggen aan een van deze specifieke tradities.

                                          

Naast de Tibetaan Longchenpa, die in zijn Drupta Dzöd [5] een hiërarchisch overzicht gaf van alle hem bekende boeddhistische benaderingen, is een van mijn grote voorbeelden de Chinees Zongmi. [6] Hij leefde in de negende eeuw en was leraar in zowel Chan alsook Huayan, een boeddhistische benadering die wel ‘de leer van de totaliteit’ wordt genoemd. Zongmi wijdde zich aan het steeds dieper doordringen in een totaal-zicht wat betreft de aan hem bekende bevrijdingstradities. In zijn tijd betrof dit uiteraard slechts de tradities die in China bekend waren, Taoïsme, Confucianisme en de verschillende scholen van Chinees Boeddhisme. Hij bracht deze bij elkaar in een hiërarchische indeling, wat als methode in China bekend stond als panjiao, de ‘classificatie van doctrines’. Bovenin zijn hiërarchie stond ‘het meest volledige’ onderricht. Zongmi-vertaler Peter Gregory maakt de steekhoudende opmerking: “Het allerbeste of ‘hoogste’ onderricht is dat onderricht dat het meest omvattende gezichtspunt of ‘zicht’ biedt, waarin alle andere vormen van onderricht op een harmonische manier doorzien kunnen worden.” [7]

                                          

Ook mij gaat het om het meest volledige onderricht, het meest omvattende. Ja, ik lijk wel een beetje op Zongmi, denk ik wel eens. Waarom zou je andermans specifieke, wel-degelijk-bevrijdende element dat als een tip kan werken, in je benadering overslaan? Nee toch, je wilt dat er een zo groot mogelijke duidelijkheid geboden kan worden, door niets te negeren dat een mogelijke aanvulling of correctie bevat. Want bij het samenbrengen van de verschillende ingangen kun je meteen zien dat ze herhaaldelijk correcties aan elkaar hebben aangereikt (of ze deze nu vervolgens hebben geaccepteerd of niet, dat is hier heel even bijzaak). Pas zodra de correcties op elkaar zijn herkend als terecht, hoef je de verschillende tradities niet meer aan te duiden als bijna-volledig, zoals ik eerder in dit artikel deed. Pas dan herken je het volledige, niets-uitsluitende, en herken je ook de terechtheid om dit volledige te benadrukken.
              Ik acht het van belang dat je een volledig onderricht overhoudt dat aan alle kanten gecheckt is, en dat niet lijdt aan vooringenomenheid ten opzichte van een andere ingang. Wij zijn nu, dankzij de Westerse Verlichting, in de positie geraakt dat we werkelijk het geheel kunnen overzien en aldus een einde kunnen maken aan al de verschillende gescheiden denominaties. Al die scheidslijnen zijn bovenop de uiteindelijke Verschilloosheid gelegd en zijn volslagen onwerkelijk. Alleen door het geheel van non-dualisme belangrijk te maken kan er een nieuwe verwoording ontstaan, voorbij ieder sektarisme, voorbij elk ‘ik ben beter dan jij’.
                                     
                                       

Door zelf steeds meer gesetteld te raken in het Conceptloze – dat wil zeggen Verschilloze – kun je makkelijker heenkijken door de concepten die door de verschillende scholen worden aangeboden. Je raakt er minder gauw van in de war, want je kunt heel snel zien of er in zo’n andere benadering een vergelijkbare nadruk op het Conceptloze is. Om een voorbeeld te geven: In de Advaita Vedanta is, afgezien van het revolutionaire onderricht van Nisargadatta, niet duidelijk verwoord dat Bewustzijn zelf altijd leeg is, conceptloos, ‘naakt’, ‘de diep-donkerblauwe staat van Niet-iets’. Er bestaat in de Advaita namelijk nog steeds een allergie ten opzichte van het boeddhistische concept ‘leegte’ (shunyata); het wordt constant misverstaan, en verward met een desolaat en nihilistisch vacuum. Het lijkt wel een hindoeïstische of ‘vedische’ blinde vlek. Daardoor krijg je wel eens het gevoel dat het Absolute (Brahman) eigenlijk wordt gezien als een Oneindige Entiteit die echt een bestaan kent. Er ligt in de Advaita weliswaar ook een nadruk op Nir-guna Brahman, het Absolute zonder (nir-) concept of eigenschap (guna), maar dit wordt helaas niet herkend als precies hetzelfde als de boeddhistische ‘leegte’. De boeddhistische nadruk op leegte en conceptloosheid vormt wat mij betreft een waarachtige correctie op het afwijzen van leegte en conceptloosheid in de Advaita. Nir-guna (Non-concept oftewel Niet-iets) is werkelijk hetzelfde als Shunyata (Non-concept oftewel Niet-iets).

Dit is slechts een voorbeeld. Wat na alle correcties overblijft is een onderricht dat op hetzelfde gebaseerd blijkt te zijn – vandaar termen als het ‘alomvattende’ en ‘vervolmaakte’ onderricht.
              
                                                

Wat mij betreft geldt het volgende: ‘Jazeker, we mogen dit aanwijzen als het superieure onderricht, met de woorden “ja, dit is inderdaad het hoogste”, omdat het het volledige en eensgezinde uitgangspunt is, het einde van alle strijd. Dit aanwijzen van ‘het superieure onderricht’ is niet arrogant. Als Nisargadatta iets zei in de trant van ‘Zoals je de dingen hier hoort, hoor je ze nergens!’, was dat niet arrogant. Hij wees op het diepgaande punt dat als dit conceptloze over het hoofd wordt gezien, je dan steevast in de verkeerde richting wordt gewezen. Zijn aanwijzing is het tegendeel van arrogantie. Het is juist het aanwijzen van de plaats waar alle superioriteit in de zin van ‘ik ben beter dan jij’ doorzien kan worden.
              Dit is de Sleutel. 
              Wij zijn in werkelijkheid allemaal zelf het Verschilloze.

NOTEN
1.  A Treasure Trove of Scriptural Transmission, door Longchenpa. Vertaling Richard Barron. Junction City, CA: Padma, 2001; p. 97. Vertaling van Longchenpa’s Chöying Dzöd, en zijn commentaar erop, de Lungki Terdzöd.
2.  De stromingen die samen het werkelijke, Universele Non-dualisme vormen zijn: 1. de Indiase Advaita (zowel in Vedanta alsook in een aantal tantrische tradities die op Shiva en op Dattatreya zijn georiënteerd); 2. het Chinese, met Tao doordrenkte Chan-boeddhisme (met zijn Japanse variant Zen); 3. de Tibetaans-boeddhistische benadering van Dzogchen (en het direct ermee verwante Mahamudra).
3.  Dit benoem ik zo om het te onderscheiden van het (in mijn ogen bijzaken-betreffende) gebruik binnen het Boeddhisme om voortdurend ‘vaststaande’ lijstjes aan te bieden van ‘numerieke categorieën’, met daarin zaken als ‘de vier misverstanden’, ‘de achttien elementen’, ‘de tien deugden’ enzovoort, enzovoort, en dit op een toon alsof dit alles zeer waarachtige en belangrijke indelingen betreft waar je niet omheen kunt. Zo is dus mijn vijftal in het geheel niet.
4.  Zie Non-dualisme, de directe bevrijdingsweg (Cothen: Juwelenschip, 2005), hoofdstuk 5: ‘De vijf kenmerken van universeel non-dualisme’, p. 100-113. De vijf zijn: Kennendheid, Conceptloosheid, Onmiddellijkheid, Onveranderlijkheid en Natuurlijkheid.
5.  De Drupta Dzöd is vertaald door Richard Barron als The Precious Treasury of Philosophical Systems (Junction City, CA: Padma, 2007).
6.  Guifeng Zongmi (780-841) bevond zich als Zen-leraar in de afstammingslijn van Heze Shenhui, die volgens Zongmi het woord Zhi had aangereikt als: “Het ene woord ‘Kennen’ (Zhi) is de sleutel tot het hoogste geheim.” Nog in de twintigste eeuw werd deze Shenhui-uitspraak in verbasterde vorm geciteerd door de Iers-Engelse schrijver Wei Wu Wei: “Één enkel woord is genoeg om de waarheid te onthullen.” (Open Secret. Hong Kong University Press, 1965, p. V). Zongmi is voor mij ook een groot voorbeeld vanwege zijn nadruk op de combinatie van onmiddellijk ontwaken en geleidelijke uitwerking.
7.  In Peter Gregory’s fantastische boek Tsung-mi and the Sinification of Buddhism (Honolulu: University of Hawaii Press, 2002, p. 261; 1e uitgave: Princeton, 1991). Zie ook Jeffrey Broughton, Zongmi on Chan (New York: Columbia University Press, 2009), waarin volledige vertalingen van Zongmi staan.

*  Algemene noot: Het voelt op zijn plaats om hier Da Free John (1939-2008) te bedanken, die in het aanwijzen van de universele, in-feite-reeds-eensgezinde bevrijdingsweg een groot inspirator is geweest; hij noemde deze universele weg ‘Advaitayana Boeddhisme’ (zie bijvoorbeeld zijn boek Nirvanasara uit 1982). Dat ik Da niet in het artikel zelf heb aangehaald, komt voort uit de complexiteit en verwarring rondom hem als ‘Only-By-Me’-leraar (wat in feite juist het omgekeerde is van het universeel-beschikbare, eensgezinde standpunt) – voor een artikel als dit zou het te ver voeren om echt op hem in te gaan.