De ‘gelijktijdige’
driehoek van Dzogchen
(see English translation)
door Philip Renard
Binnen het Tibetaans Boeddhisme neemt Dzogchen een plaats in
die je ‘de hoogste’ kunt noemen. Letterlijk betekent het ‘Grote (chen) Volledigheid
(dzog)’. Dzog betekent ook ‘voltooiing’, ‘beëindiging’,
‘volmaaktheid’. Met andere woorden: ‘je komt aan je eind’. Verder of hoger kun
je niet.
Voor mij is
Dzogchen, zoals het me sinds het midden van de jaren tachtig vooral dankzij
Namkhai Norbu is aangereikt, een van de meest heldere verwoordingen van de
werkelijkheid. In de loop van de jaren hebben allerlei details van dit
onderricht zich in me uitgekristalliseerd, vooral dankzij de woorden van Tulku
Urgyen Rinpoche. Zelfs
zodanig dat ik durf te zeggen dat zijn vorm van onderricht, met als uitgangspunt de
radicale woorden van de grote veertiende-eeuwse leermeester Longchenpa, de
laatste jaren de belangrijkste inspiratie is voor datgene wat ik zelf doorgeef
aan anderen.
Tulku Urgyen betracht in zijn spreken een wat ik noem
‘stempel’-stijl. Daarmee bedoel ik dat hij eigenlijk steeds hetzelfde zegt. De
stempel blijft dezelfde stempel, en hij komt steeds op identieke wijze neer, op
exact dezelfde plek. Ik moet vaak denken aan het bekende verhaal over de
druppel die voortdurend op een steen valt, en wel exact op dezelfde plaats. Het
verhaal luidt dat de steen werkelijk doorboord raakt, hoe hard hij ook is. Dus
door maar heel gewoon door te gaan met stempelen, wordt de opening geboden.
Wat is het
wat Tulku Urgyen steeds hetzelfde zegt?
Zijn nadruk
is als volgt. Alles draait om herkennen: het herkennen van je ware
natuur en het leren om hierin gestabiliseerd te raken. Een eenmalige herkenning
is voor de meeste mensen niet voldoende – de keten van karmische geneigdheden
kan herhaaldelijk zorgen voor een verduistering van het zicht. Vandaar dat
Tulku Urgyen zegt:
“In deze hele wereld is er niets dat superieur is aan het zien hoe je deze
keten moet doorbreken – er is niets dat kostbaarder is.” [1]
Ja, hoe krijg je hier waarachtig zicht op, hoe moet je deze
keten doorbreken? Dat is door allereerst, hóe je huidige situatie of gemoedstoestand
ook is, te herkennen wat je wezenlijke, oorspronkelijke natuur is, midden
in je huidige situatie. Op het moment van daadwerkelijk herkennen
is er een opening, een onderbreking. Geen reeks meer, geen verhaal waarin je
gelokt wordt naar een volgend fascinerend detail. Hier ligt de meest diepgaande
uitnodiging: laat nu je verhaal even voor wat het is, en kijk, sta toe
dat deze opening tot je doordringt. Je zult dan makkelijk kunnen zien dat dit
‘niet-iets’ is. Tulku Urgyen zegt hierover herhaaldelijk: “Zien dat er niet
iets te zien valt is het allerbelangrijkste zicht.” [2]
Je kunt ook meteen zien dat dit wel degelijk ‘jezelf’ is. Je kunt namelijk
onmiddellijk herkennen dat dit niet-iets gezien wordt, dat wil zeggen
dat er continu en blijvend een kennend beginsel is – ook al is dit niet
een entiteit. Juist de combinatie van deze twee factoren maakt dat geen van de
twee doorschiet, de ene naar nihilisme, de andere naar het innemen van een
positie, dat wil zeggen het identificeren met een subtiel Iets of Iemand. De
advaitische uitspraak ‘Ik ben Brahman’ wordt hier vervangen door ‘Ik besef dat
mijn wezenlijke natuur Niet-iets is – louter Kennen.’
In Dzogchen wordt onze wezenlijke natuur beschreven als te
bestaan uit drie aspecten, te weten de volgende:
1 lege,
conceptloze essentie
2 heldere,
kennende aard
3 onafgebroken, onbelemmerde uitdrukking
Er bestaan veel drietallen in het Tibetaans Boeddhisme, maar deze
drie aspecten vormen voor mij het gouden drietal. Alles zit hierin vervat. Doordat
ik zo diep geraakt werd door de eenvoud van dit drietal ben ik in de loop van
de jaren tekeningen ervan gaan maken, waarbij het drietal een driehoek werd. En wel een gelijkzijdige oftewel
‘gelijktijdige’ [3] driehoek. Het gelijkzijdige (en
gelijktijdige) voelt terecht omdat alle drie aspecten uiteindelijk even
belangrijk zijn, ook al bevat het drietal een hiërarchisch element. Het
punt erin is vooral dat het om een volledige inclusiviteit gaat. Ik wil
de drie zojuist genoemde aspecten hier een beetje toelichten.
1.
Allereerst de ‘essentie’ (in Tibetaans ngo-bo). De
essentie is gewoon de essentie, dus je kunt niet daarna nog zeggen ‘de essentie
van de essentie’.
Nee. Het
stopt. Dat is precies de functie van dit soort taal. De essentie wordt meteen
benoemd als Leegte (stong-pa nyid).
Leegte slaat alle weten uit je handen, alles wordt je afgepakt. Dus H E T
S T O P T – en dat is de zegen.
Niet-weten, Niet-iets en Leegte betekenen voor mij hetzelfde. Alle nadruk ligt
hier op het einde van alle concepten, van alle mentale en emotionele
bouwwerken, hoe nobel eventueel ook. In dit opzicht is zelfs ‘liefde’ een
concept, en volgt hiërarchisch dus pas als één van de voorbeelden van het derde
aspect, zijnde de uitdrukking van de essentie.
2.
Deze essentie is onscheidbaar van het kennende
beginsel, dat ook wel wordt aangeduid als Helderheid (in Tibetaans gsal-ba). In het Engels vaak vertaald
als Luminosity. Prachtige aanduidingen,
vind ik. Om het kennende beginsel gaat het – louter Bewustzijn.[4]
Je kunt zeggen dat de lege essentie de kern van de zaak is, maar zonder het kennende
beginsel begin je niets. In Dzogchen wordt daarom benadrukt dat Leegte altijd
Kennend moet zijn, anders krijg je bij het woord ‘leeg’ toch negatieve
interpretaties – hieruit zijn dan ook veel vedantische vooroordelen jegens de
boeddhisten voortgekomen. In mijn ogen is Boeddhisme pas geworden tot een echte
directe bevrijdingsweg toen rond de vierde eeuw in China de balans was
gevonden, door te erkennen dat alles en iedereen niet alleen leeg is (wat de nadruk tot dat moment
was), maar ook een ware natuur heeft die kennend
is. Het werd ‘Boeddha-natuur’ genoemd: die betreft de niet te scheiden combinatie
van niet-wetend (leeg) en kennend (licht-schenkend) – in je huidige
aanwezigheid.[5]

De combinatie van lege essentie en kennende aard is wat in de
Advaita het ‘eigenschaploze Absolute’ wordt genoemd. Ogenschijnlijk betreft het
hier een tweetal, zeker als je het afbeeldt, maar in feite vormen de begrippen leeg
en kennend samen de meest volledige en inclusieve aanduiding voor het
onmogelijk te omschrijven Uiteindelijke. Ze zijn respectievelijk de negatieve
en de positieve manier van aanduiden, en daardoor laten ze je de Grote Volledigheid
onmiddellijk voelen – waarbij het idee ‘twee’ volstrekt vervliegt. Zo ontwaar
je het Verschilloze; er valt hier werkelijk geen enkel verschil aan te treffen.
Dit wordt in
Dzogchen rigpa genoemd, Leeg Bewustzijn. De onscheidbare eenheid van
Niet-weten en Kennen. Rigpa mag je wel beschouwen als het
allerbelangrijkste in Dzogchen. Het punt waar alles om draait.
3.
Het samengaan van Niet-weten en Kennen (of Leegte en
Bewustzijn) wordt steeds beschreven als onscheidbaar en ononderbroken, waardoor
er sprake kan zijn van een volslagen onbelemmerde (in Tibetaans ’gags-med)
uitdrukking. Doordat er geen belemmering is, speelt de uitdrukking zich
onmiddellijk af – zoiets als tijdsverschil bestaat nog niet, dat ontstaat
juist hier. In deze benadering is er nooit een Zondeval geweest.
Het derde
aspect betreft geheel en al deze Uitdrukking van het Lege Bewustzijn – dat wil
zeggen de manifestatie ervan. Een aanduiding als ‘de kern van de zaak’ kan nog
steeds abstract blijven, als een ‘weten’, maar zodra de kern zich manifesteert
kan dat niet meer. Het Tibetaanse woord voor dit aspect is thugs-rje.
In Dzogchen wordt deze term geïnterpreteerd als ‘capaciteit’, ‘potentie’,
‘resonantie’ – en ook ‘energie’. Dankzij de capaciteit van Bewustzijn
kan er manifestatie zijn, aanwezigheid, beleving.
Er is tussen
Leegte en Bewustzijn nog geen enkel verschil, maar zodra dit Verschilloze tot
manifestatie komt, is verschil geboren (en tijd, en oorzaak-en-gevolg),
en razendsnel is er dan ook de mogelijkheid van het verschil tussen vrijheid en
onvrijheid, tussen werkelijkheid en begoocheling. Zodra je bent, en beleeft,
kan voorkeur optreden, en eventueel een vastgekleefd-raken. Zojuist was er nog
vrijheid, en opeens is er iets wat triggert, waardoor je helemaal bezet kunt
raken, en vastgekleefd aan een emotioneel getint verhaal. Het voelt als een
oersplitsing, waarin gelukkig wel steeds opnieuw de vraag kan opkomen: Wat wil
ik echt? Wil ik waarachtige vrijheid, of wil ik het eigenlijk gewoon makkelijk
hebben en alleen maar genieten?
Nisargadatta
Maharaj heeft veel van zijn onderricht gewijd aan het verduidelijken van deze
plaats van ‘het gemanifesteerde’, die hij vaak aanduidde als ‘ik ben’ oftewel
geboorte-beginsel. Hier is nog geen sprake van een persoon of individu, maar
wel van Beleving-op-zich – waarin de oersplitsing zich afspeelt die
gebaseerd is op de genoemde keten van karmische geneigdheden. Ik heb deze
oersplitsing ooit geschetst in een cirkelvorm, als een pil met twee helften.[6]
Een tweesprong kun je het noemen. Wil je tot Besef komen, of laat je het
erbij, en blijf je een leven leiden dat in feite neerkomt op niet-besef?
Bij het tekenen van de driehoek kwam ik er op een gegeven
moment toe om de tekening van de tweesprong-cirkel eraan toe te voegen.[7]
Immers, zodra je jezelf gaat uitdrukken, is dualiteit een gegeven. Als er
alleen maar de essentie zou zijn, hoeft er natuurlijk niets onderzocht te
worden om tot bevrijding te komen. De essentie, Leeg Bewustzijn, is altijd al
vrij. Hierin valt niets te realiseren. Het gaat erom dit naakte Bewustzijn te
realiseren in je huidige bestaan, midden in je eigen uitdrukking, hoe
verwarrend die misschien ook is. Je gedachten
en emoties moeten doorzien worden als zijnde niets anders dan een tijdelijke
uitdrukking van je aangeboren ware natuur. Dus: herken de inhoudsloze essentie
binnenin je gedachten en emoties.

Met de
combinatie van driehoek en cirkel kun je goed de samenhang laten zien tussen de
essentie en zijn uitdrukking. Op de laatste tekening wordt dit als tweetal in kapitale
letters benadrukt. Tulku Urgyen heeft hier herhaaldelijk over gesproken, ook
over het tweesprong-karakter dat in de uitdrukking vervat zit:
“De enige mogelijkheid voor herkenning
ligt in de uitdrukking. De uitdrukking
(rtsal) van de essentie (ngo-bo) heeft de mogelijkheid om óf zichzelf
te beseffen óf zichzelf niet te beseffen – hier zie je hoe Besef (shes-rab;
in Sanskriet prajña) het hele punt is. (...) Wanneer de uitdrukking tot
Besef komt (dat wil zeggen zodra de uitdrukking zijn eigen natuur beseft), is hij
bevrijd. Dan is er vrijheid. Wanneer de uitdrukking beweegt als gedachten, als
denken, is hij in de war. Dan is er begoocheling. In het zien van dit
onderscheid wordt duidelijk waarin het belang van het verschil ligt. Met andere
woorden, of de uitdrukking bevrijd wordt als Besef, óf verward raakt in de vorm
van gedachten, wordt bepaald door degene die het onderscheid traint, die zijn
eigen natuur beseft óf niet beseft.” [8]
Wat mij
betreft is dit het kernpunt van alle onderricht. Door dit kernpunt
daadwerkelijk in je leven toe te laten zal de karmische keten doorbroken worden.
Deze nadruk bevat de hele kwestie, volledig en direct, zonder enig ‘weten’. Moge deze nadruk,
eventueel met behulp van driehoek & cirkel, als een waarachtig stempel werken.
Moge de stempel steeds opnieuw, kersvers, neerkomen op een ontvankelijke
plaats.
NOTEN
1.
Tulku Urgyen, As It Is, Vol. I, Boudhanath: Rangjung Yeshe, 1999; p. 75.
2. Passim; zie bijvoorbeeld As It Is,
Vol. II (2000); p. 76.
3. ‘Gelijktijdig’ (Tibetaans cig-car) is
een term om het onmiddellijke karakter van Dzogchen aan te geven, zodat de onscheidbaarheid
van de drie apecten in één oogopslag gezien kan worden. De driehoek toont het samenvallen
van de tijd en het Tijdloze, en wel in een zichtbare vorm. Zie over dit
tonen in zichtbare vorm van het gelijktijdige ook het artikel van Rolf Stein in
Sudden and Gradual (Peter Gregory, ed., Honolulu, 1987). Hierin, op p.
55, citeert hij een passage waarin gewezen wordt op het contrast tussen beeldend
werk als zijnde onmiddellijk, en schriftelijke en muzikale werken die zich in
de tijd afspelen.
4. Ik noem het Bewustzijn, maar ben het meteen
eens als iemand dit liever aanduidt als ‘Gewaarzijn’. Beide zijn voor mij aanduidingen
voor het Verschilloze.
5. Zie mijn artikel over de oorsprong van de
term ‘Boeddha-natuur’ (in Chinees fo xing), getiteld ‘De directe weg: is die ooit begonnen?’ in InZicht, sept. 2022; p. 44-50.
6. Deze pil wordt toegelicht en afgebeeld in ‘Ik’
is een deur; p. 64-69.
7. De hoek van het derde aspect was toen al naar
onderen gebracht; voorheen stond die naar boven, zoals op de eerste tekening te
zien is.
8.
Tulku Urgyen, As It Is, Vol. I; p. 146. Zie
ook p. 202; en in Vol. II p. 47 en 168.