zondag 26 mei 2019

 

   De Sleutel
     
          door Longchenpa (1308-1364)

In de kern gaat het erom dat je ontdekt
hoe je oog kunt krijgen voor Bewustzijn op zich
Bewustzijn dat nergens door in beslag genomen wordt.
Het is heel belangrijk dat je Bewustzijn op zich
in al zijn naaktheid gaat herkennen.

De sleutel, het allerdiepste kernpunt, is:
rust uit in het huidige Bewustzijn, in al zijn naaktheid,
door niets in beslag genomen.
Terwijl je vertoeft in de heldere oceaan van Bewustzijn
constateer je de wakkere, oorspronkelijke,
‘verse’ kwaliteit ervan in al zijn naaktheid,
en je verzekert jezelf ervan
dat je er niet van wegdwaalt.

En zo dient Bewustzijn zich aan
als de ware natuur van de fenomenen, de objecten
zonder enige onderbreking
of verdeling in binnen en buiten.

Dit is precies het punt waar je het geheim aanraakt.

Dit is het uiteindelijke geheim van alle geheimen.

            



Dit tekstje is van de veertiende-eeuwse Dzogchen-leraar Longchenpa: een fragment uit zijn meesterwerk Chöying Dzöd. Longchenpa wordt binnen de Dzogchen-traditie beschouwd als de ware grondlegger, degene op wie alle latere tekst steunt.
            Het hier getoonde fragment is een tekstje waarin de hele zaak werkelijk tot de kern wordt teruggebracht. Ik ken eerlijk gezegd weinig schrijfsel dat de kern op een vergelijkbaar grootse manier uitdrukt.
            Het genoemde boek Chöying Dzöd, dat in een zeer goede Engelse vertaling beschikbaar is als A Treasure Trove of Scriptural Transmission, beschouw ik als een van de zeer weinige boeken die over zouden moeten blijven als er nog maar een paar zouden mogen.
            Er zijn daarvan verder echt maar een paar: de Talks van Ramana Maharshi natuurlijk, de twee delen As It Is van Tulku Urgyen, en I Am That van Nisargadatta Maharaj. Én uiteraard de Atmananda Upanishad. Maar dat is het voor mij dan wel zo’n beetje.

                                                                      Vertaling (2002) en toelichting (2019): Philip Renard

A Treasure Trove of Scriptural Transmission. Vertaald door Richard Barron. Junction City, CA: Padma Publishing, 2001; p. 228 en 229. Dit boek is een vertaling van de Chöying Dzöd, samen met Longchenpa’s eigen commentaar erop, de Lungki Terdzöd.

zondag 10 maart 2019


Zo-zijn met Oom Alan


Ooit voelde Alan Watts voor mij zo ongeveer als Oom Alan, de Engels-Amerikaanse oom die mijn grote voorbeeld was door alles precies zo te benoemen zoals ik het ook voelde maar niet benoemen kon. Hij was de belangrijkste van de schrijvers die me gered hebben uit een existentialistische manier van kijken. Ik was tweeëntwintig, en het was tot me doorgedrongen dat Oom Alan al op z’n eenentwintigste een boek had gepubliceerd dat het kernpunt aanwees.*1 Dat wil zeggen: het kernpunt losgemaakt van alle theosofische sciencefiction-taal die voorheen als een verwarrende saus over dit onderwerp uitgespreid lag. Ik had eerder ook al wel een boek van hem gelezen, het Nederlandse Zen-boeddhisme (de vertaling van The Way of Zen), maar hij werd pas een echt voorbeeld voor me toen ik zijn oorspronkelijke Engelse boeken begon te lezen. Dat was vanaf 1967, middenin de psychedelische revolutie waarin ik dankzij LSD herhaaldelijk had mee mogen maken wat in het Tibetaanse Dodenboek wordt bedoeld met het Heldere Licht.*2

Ja oom, met het lezen van jouw heldere taal is het diepgaande van ‘non-dualiteit’ me duidelijk geworden. Dank je zeer daarvoor. Niemand zei het zo duidelijk toen. Zo kort, zo verwant voelend met mijn manier van leven. Jij had al eerder LSD ingenomen, en in je prachtige Joyous Cosmology getuigde je ervan. Je woorden in dat boek voegden weliswaar niet iets toe aan mijn eigen ervaring op zich, maar wel werd je er ‘een van ons’ mee, terwijl je bijna dertig jaar ouder was dan ik.

Na de zestiger jaren las ik Alan Watts vrijwel niet meer. Andere bronnen bleken me meer te voeden. Gaandeweg werd me ook steeds duidelijker wat het verschil is tussen iemand die ‘het heel helder kan uitleggen’ en een waarachtig leraar.
            Alan Watts was een zeer getalenteerd uitlegger van de kern van de zaak. Hij was groots in de zin van waarachtig universeel kijkend: hij is degene geweest die me volkomen duidelijk heeft gemaakt dat de kern van de zaak nooit iets kan zijn van één specifieke weg. Hij was zelf weliswaar het meest thuis in Tao en Zen, maar hij gaf steeds op geloofwaardige manier aan dat in stromingen als Advaita Vedanta en Soefisme precies dezelfde kern aanwezig is. Dit is heel bijzonder. Veel mensen denken dat deze universele blik doodnormaal is, maar zodra je echt iets scherper kijkt, blijkt dat de meeste mensen toch hun eigen manier de enige vinden die de kern raakt. In India bijvoorbeeld noemt vrijwel iedereen zich universeel, maar men blijkt daarmee te bedoelen dat het hindoeïsme zo ongelooflijk universeel is. In dit opzicht was bijvoorbeeld Osho oftewel Bhagwan Rajneesh in India een uitzondering; hij was werkelijk universeel kijkend – wat in hoge mate was ontwikkeld onder invloed van Watts. Bhagwan was een groot bewonderaar van Watts.
           
Ik kan nergens een bron vinden waar iemand, eerder dan wat Watts schreef in 1950, kon uitleggen wat ‘non-dualiteit’ eigenlijk op zich is (dat wil zeggen los van specifieke stromingen als Advaita Vedanta) en wat het verschil is tussen non-dualisme en monisme.*3 Ik beschouw Watts’ verwoording uit die tijd als een vorm van pionierschap – in onze huidige tijd is de term ‘non-dualiteit’ in een bepaald gezelschap weliswaar een doodnormaal woord, maar toen lag dit totaal anders. En overigens heeft Van Dale zelfs nu, althans in zijn 2005-editie, het woord nog steeds niet opgenomen.

Waarom las ik Alan Watts op een gegeven moment niet meer? Iets was gewoon overbodig geworden, maar ook begon zijn verregaande vlotheid van inzicht me tegen te staan. Een overdreven gemak met het thema verlichting, gecombineerd met een fractie te veel nadruk op ‘het vrije genieten’. Ik weet het niet exact aan te wijzen. Het werd me in ieder geval duidelijk dat hij zelf niet een levend voorbeeld was van het Uiteindelijke. Hij praatte hier wel heel goed over, maar het bleef de vraag of hij zich door de Grote Zaak had laten ‘opeten’ of dat hij er uiteindelijk mee bleef koketteren. Meer en meer voelde ik dit laatste. Hij hoorde zelf dit soort bezwaren ook wel eens, en daar had hij een gevat antwoord op gevonden. Zo beschreef hij in zijn autobiografie de volgende dialoog met Swami Prabhavananda.*4 De swami had zojuist opgemerkt dat Krishnamurti weliswaar een heel fijn mens is, maar zijn onderricht helaas zeer misleidend, waarna hij besloot met: “Hij lijkt te zeggen dat je ook zonder enige spirituele methode realisatie kunt bereiken, en dat is uiteraard niet waar.”
            “Nee, inderdaad”, zei Alan hierop, “áls er tenminste wel iets is dat bereikt of verkregen kan worden. Jullie Upanishads zeggen het zo duidelijk: ‘Tat tvam asi, Jij bent Dat.’ Dus wat is er dan nog dat bereikt zou moeten worden?”
            De swami riep meteen: “O nee, nee! Het maakt een heel groot verschil of je alleen maar met woorden geïnformeerd bent dat dit zo is, of dat je dit werkelijk verwezenlijkt. (...) Er moet heel wat werk verricht worden om van het eerste naar het tweede te gaan.” Waarop Alan uiteraard een zeer intelligent antwoord gaf, wat erop neerkwam dat deze inspanning allemaal onzin is omdat het al vanaf het begin zo is dat je hetzelfde bent als het Absolute.
           
Toch zag Watts ook zelf wel degelijk in dat er een verschil bestaat. Zo herkende hij bijvoorbeeld in 1973 Da Free John, die toen nog een jonge man was met de naam Franklin Jones, als iemand die werkelijk tot realisatie was gekomen. Hij deed over hem uitspraken als “Het lijkt erop dat we hier een Avatar hebben. Ik kan het niet geloven – hij is werkelijk hier. Op zo iemand heb ik mijn hele leven gewacht. (...) Het is uit allerlei subtiele details duidelijk op te maken dat hij echt Dat ziet waar het allemaal om draait ... zeldzaam, zo iemand.” Alan maakte een afspraak met Franklin, maar vlak voor de geplande ontmoeting overleed hij.*5

Maar hoe dan ook, Watts had met het benadrukken van het onmiddellijke en ‘altijd-al-het-geval-zijnde’ natuurlijk ook volkomen gelijk. In ieder geval meer gelijk dan de mening dat er een lange weg van zwoegen nodig is, met veel meditatie, veel ‘naar de muur staren’, studie, stadia, en eventueel ook rituele of devotionele handelingen. Deze onmiddellijkheid benoemde hij graag met het woord ‘suchness’ (dat lastig te vertalen is in het Nederlands, maar voor het moment kunnen we het ‘zo-heid’ of ‘zo-zijn’ noemen). Prachtige manier van spreken vind ik – veel meer van toepassing dan de filosofische advaita-term ‘het Absolute’.
            Het is vooral vanwege deze nadruk dat ik Alan Watts nog steeds dankbaar ben. Hij heeft mij hiermee op een diepgaande manier beïnvloed. Hij heeft me erop gewezen dat het in dit hele veld van ‘verlichting’ enzovoort eigenlijk alleen maar gaat om het natuurlijke, het gewone. Hij kon dit geheel geloofwaardig toelichten, waardoor ik voor de rest van mijn leven deze nadruk ben blijven voelen als de meest kloppende. Alles moet een natuurlijke gang hebben, anders klopt er iets niet. Het moet tzu-jan zijn, vanzelf, natuurlijk – Watts leerde me hiermee en passant de eerste belangrijke termen in het Chinees, en wees erop dat deze zelfde nadruk op het natuurlijke ook in Indiaas Tantrisme bestond en daar sahaja werd genoemd (wat voor mij aanleiding werd om ook Sanskriet-termen te leren waarderen en op hun specifieke plaats te leggen).
            Geweldig. Dit natuurlijke is wat mij betreft nog steeds de kern.
            Dit natuurlijke is direct verbonden met het zojuist genoemde ‘zo-zijn’ (dat een vertaling is van de Sanskriet-term tathata en het Chinese chen-ju).*6 Je kunt de kern niet aanduiden, en dan kun je alleen nog maar zeggen dat het ‘zo’ is, oftewel ‘aldus’. Geen verder commentaar. Aldus.
            Ja, dit leerde Alan Watts aan de hele wereld. Ik ken niemand anders die de essentie al in de vijftiger jaren zo eenvoudig aanduidde als ‘zo-heid’ of ‘zo-zijn’ (tathata) – wat uiteraard niet met een eigenschap valt te omschrijven maar wat in ieder geval natuurlijk is, spontaan (sahaja).
 
 Ja oom, ik bedoel hierin nog steeds hetzelfde als jij, namelijk “Ha Ha...La ah ah....Ah....Ta tha”  – wat je steeds wilde benadrukken in je boeken. Bijvoorbeeld in je prachtige Nature, Man and Woman, dat me ongelooflijk heeft beïnvloed, met je “When the ear is singing, all other sounds are lost”.*7 Voorbij spreken, voorbij woorden. En toch juist doorgaan met woorden gebruiken! Ja! Je schrijverschap was een vrije sprong die het “Ha Ha...La ah ah....Ah....Ta tha” wilde vervullen. Geweldig! Dank je. Ik heb graag met je gedanst.

  Afbeelding: Volkert Reijn en Philip Renard, 1968          

Noten

1. The Spirit of Zen uit 1936. In 1940 in het Nederlands vertaald door J.A. Blok. Dit was het eerste Nederlandse boek over Zen.

2. Pas later drong tot me door dat deze tekst eigenlijk een Dzogchen-tekst is. De term Dzogchen werd toen nooit gebruikt.

3. Zie Watts’ The Supreme Identity uit 1950; p. 69 en 95.

4. Prabhavananda was toen de leidende Swami in de Ramakrishna Orde in Hollywood. In In My Own Way uit 1972; p. 276 en 277.

5. Later zei Franklin ‘Bubba’ Jones hierover: ‘Sommige mensen doen werkelijk alles om me te ontlopen.’ Citaten zijn uit omslagtekst van The Garbage and the Goddess en voorwoord van The Knee of Listening.

6. Tegenwoordig worden deze Chinese termen tzu-jan en chen-ju anders gespeld: respectievelijk ziran en zhenru.

7.  Nature, Man and Woman, a New Approach to Sexual Experience, uit 1958, p. 149 in de 1ste editie van Thames and Hudson.

maandag 28 januari 2019


Satsang-retraite
vijfdaagse met
Philip Renard

1-5 juli 2019 in Havelte

Over het belang van intensivering

Satsang omschreef ik onlangs als ‘het ware contact’. In de satsang blijft, zodra je de uitnodiging tot het zien van je wezenlijke natuur toelaat, een stilte over, een afwezigheid van de persoon. Weliswaar kunnen persoonlijke zaken ieder moment in deze stilte oprijzen, maar ze zijn niet meteen bepalend. Hierdoor is er een openheid aan beide kanten, een oningevuldheid, een meningloosheid. Projecties kunnen opkomen, maar ze kunnen als zodanig herkend worden, waardoor de geloofwaardigheid ervan wordt doorkliefd.

            Zo’n situatie noem ik contact.

            Een ondergrond van stilte en vrede, waarin we nog helemaal zonder enig verschil zijn maar van waaruit alle verschillen tussen ons mogen oprijzen en besproken worden. Het mag geluidloos stil blijven, én we mogen hardop woorden gebruiken. De ware stilte wordt niet verbroken door geluid. Deze stilte kan wel tijdelijk uit het zicht raken zodra we blijven kleven aan een emotie of een mening. Vandaar het nut van de uitnodiging om binnenin deze emotie of mening te gaan herkennen wat de ware natuur ervan is. In de herkenning kun je zien dat emoties en meningen uit niets anders bestaan dan licht, hetzelfde licht dat het je mogelijk maakt de emotie en de mening te zien.

            In de meeste gevallen duurt zo’n moment van herkenning kort; de inhoud van de emotie of mening kan snel weer geloofwaardig worden. De geloofwaardigheid van deze inhoud komt door de langdurige gewenning eraan – het voelt als een hele lange keten van oorzaak en gevolg, die niet te stoppen lijkt. Hoewel de keten inderdaad niet met de wil te stoppen valt, is het wel degelijk mogelijk hem te onderbreken.

            Het enige dat tot dit onderbreken in staat is, is het grootse dat ik graag ‘zien’ noem. Zien, of herkennen, of welke term ook maar voor dit wonder, is wat mij betreft ons grootste geschenk. Het is al vanaf de geboorte aanwezig in ieder mens, a priori.

            Dankzij dit zien kunnen wij de keten waarin wij vast lijken te zitten, herhaaldelijk onderbreken. Ik beschouw het onderbreken van deze keten als het belangrijkste dat wij hier op aarde te doen hebben. Elk moment dat je bereid bent te kijken, kun je zien.

            Zien op zich blijkt vrijheid te zijn.

            In de satsang is er een intensivering van dit onderbreken, omdat je een paar uur lang geen andere zaken aandacht hoeft te geven. Ik beschouw de intensivering hiervan als van grote waarde – het is dankzij deze intensivering dat een nieuwe gewenning kan ontstaan, die de oude gewenning op een natuurlijke manier kan gaan vervangen. Vandaar dat ik graag weer een intensivering wil bieden die iets langer duurt. In de zomer ben ik vijf dagen in een retraite samen met mensen die zich willen wijden aan de herkenning van hun ware natuur, met iedere dag twee satsangs. Ik voel het als een bijzondere gelegenheid, en heb er veel zin in.

            Ik nodig alle mensen die hiervoor voelen uit om aan deze retraite deel te nemen.

            Philip Renard

____________________



Tijd:  Aankomst: maandagochtend 1 juli tussen 10.00 uur en 10.30 uur.

            Vertrek: vrijdagmiddag 5 juli tussen 16.30 uur en 17.00 uur.

Plaats:     Meeuwenveen Accommodaties
                        Meeuwenveenweg 1-3
                        7971 PK Havelte

                        (www.meeuwenveen.nl)

We zitten in gebouw 3, wat mooi afgelegen ligt van de andere gebouwen. Een gedeelte van het gebouw heeft een eenpersoonskamer (waar de kok gaat slapen), vier driepersoonskamers en vier vierpersoons-kamers. Er is een schot in bijna alle kamers, waardoor er meer privacy is. Daarnaast is er gelegenheid tot kamperen op het grasveld bij het gebouw. Zoals het er nu naar uitziet zullen de kamers als tweepersoonskamers gebruikt kunnen gaan worden. Er zijn uitstekende sanitaire voorzieningen.

            Er is de mogelijkheid om thuis te slapen. De prijs voor de retraite blijft in dat geval gelijk, dit geldt ook voor als je gaat kamperen.

            Nog enige bijzonderheden: We zorgen met elkaar voor het ontbijt. De lunch en het avondeten worden verzorgd door een kok. Afwassen, opruimen en schoonmaken doen we ook met elkaar. Er is een mogelijkheid tot het huren van een laken- en/of handdoeken-pakket. 

             Prijs:  535,- euro.



Aanmelden:

  door een e-mail te sturen naar Philip Renard (philip{at}advaya.nl); de gegevens omtrent de aanbetaling zullen dan aan je gestuurd worden.

            Na overmaking van de aanbetaling en de bevestiging van Philip geldt de aanmelding als definitief.

maandag 15 oktober 2018


Is er wel iets dat voorafgaat aan dualiteit?

Door het bijzondere boek Het juiste woord van Lodewijk Brouwers, uit 1931,*1 heb ik het begrip ‘thesaurus’ leren kennen. Dat is een woordenboek dat niet op alfabet is geordend maar op basis van betekenisverwantschap. Ik heb het boek al lang, en heel vaak heeft het me goede tips gegeven wat betreft een woord dat precies dat was wat ik bedoelde. Ongelooflijk, zoals die kleine verschillen kunnen schelen! Thesaurus betekent in het Grieks en Latijn ‘schatkamer’, en dat is het boek inderdaad, een schatkamer van subtiele betekenisverschillen. Brouwers’ boek is vooral gebaseerd op de Thesaurus van Peter Roget uit 1852, het boek dat het fenomeen ‘betekeniswoordenboek’ eigenlijk in de moderne wereld introduceerde.
            Het meest interessante bij deze betekeniswoordenboeken vind ik het begin. Er lijkt een conclusie aan ten grondslag te liggen dat ons kennen vanaf een bepaalde constatering van begin ‘het gekende’ kan gaan indelen. Vanuit zo’n geconstateerd begin kun je de rest van onze begrippen dan uiteraard verder differentiëren.
           
Wat is dat begin?
            Brouwers benoemt dit als:

i.  a l g e m e e n h e d e n

a. bestaan
en daaronder meteen de eerste dualiteit, namelijk:
1. Zijn                                                                                                     2. Niet-zijn

Brouwers had dit min of meer ontleend aan Roget, die de woorden Existence en Inexistence tegenover elkaar had staan.*2

Ja, ik vermoed dat je er niet omheen kunt. Dit zijn de twee oerbegrippen, de concepten die alle andere op de tweede plaats brengen. Zijn en Niet-zijn. Overal in de wereld kun je deze tegenstelling aantreffen. Je bent er, of je bent er niet – het veelvuldig tegenkomen hiervan in de vorm van het Shakespeare-cliché laat zien hoe algemeen erkend dit thema is.
            En toch, zodra tot je doordringt dat het constateren van deze tegenstelling weliswaar gebeurt dankzij het ‘bewuste zijn’, namelijk het daarin aanwezige instrument dat we ‘geest’ of ‘psyche’ noemen, kun je ook gauw opmerken dat nog niemand heeft kunnen aanwijzen hoe deze geest aan het kennende element erin is gekomen – datgene wat alle zien, horen, voelen, begrijpen enzovoort mogelijk maakt.
            In religieuze benaderingen is hiervoor de term ‘God’ (of ‘Allah’, of ‘de Eeuwige’) gehanteerd. Onlangs werd dit door een predikant verwoord als een “aan deze wereld voorafgaande zelfstandige werkelijkheid”.*3 Ik vind dat wel mooi benoemd; alleen rijst wel meteen de vraag wat zo’n spreker hieronder verstaat. Het blijkt dat hij, en vrijwel iedereen, deze ‘zelfstandige werkelijkheid’ interpreteert als iets dat al eigenschappen heeft. En juist deze eigenschappen lijken wel het grote twistpunt te zijn, niet alleen tussen ‘gelovigen’ en ‘niet-gelovigen’, maar ook tussen de verschillende soorten ‘gelovigen’. Geen van deze groepen erkent iets wat je ‘eigenschaploos’ zou kunnen noemen. Zodra er sprake is van ‘God’, zijn er meteen eigenschappen, en daar wordt over gestreden. Als er geen eigenschappen meer zijn, geen concepten die erop geplakt kunnen worden, is het uitgesloten dat je daar onmin over kunt hebben. Het zou zijn alsof je over ruimte ruzie maakt, of over lucht.
            Als je mij vraagt wat de werkelijke waarde is van het binnentreden van de oosterse bevrijdingswegen in het Westen, dan is het dit punt. In een aantal van deze wegen zit namelijk juist een nadruk op dit eigenschaploze (of je dit nu op zijn ‘hindoeïstisch’ Nirguna Brahman noemt of ‘boeddhistisch’ Tathata of Dharmakaya, dat maakt niets uit), met daarbij de mededeling dat dit altijd al vrij is, en dat dit het is dat de term ‘werkelijkheid’ verdient, en dat jij zelf dit werkelijke bent. Een vaststelling van altijd-al-verlicht-zijn.
            Dit kun je a priori noemen. Een a-priori bevrijd-zijn.

In gelovige kringen kent men dit a priori ook, maar toch kun je bijvoorbeeld zien als je de Thesaurussen erbij pakt, dat dit echte a priori niet wordt toegepast bij het hiërarchisch ordenen van onze woordenschat.
            In Brouwers’ boek, dat geschreven is op rooms-katholieke grondslag, is deze term ‘a priori’ ingedeeld in rubriek nr. 90, ‘Voorgaan’ (met als tegengestelde begrip nr. 91, ‘Volgen’). Het begrip ‘God’ is rubriek 961, met andere woorden iets dat volledig onderdeel is van iets anders, in plaats van de eerder genoemde ‘aan deze wereld voorafgaande zelfstandige werkelijkheid’.*4 Ook termen als ‘absoluut’ en ‘transcendent’ blijken in de hiërarchie van het boek helemaal niet een plaats in te nemen die zou kunnen tonen dat het over iets gaat dat aan al het andere voorafgaat (opgenomen in respectievelijk de rubrieken 4, ‘Zelfstandigheid’ en 750, ‘Goed’).

Waarom maak ik dit punt hier zo belangrijk? Omdat er in het boek (dat wat mij betreft exemplarisch genoemd mag worden voor de algemene westerse manier van kijken) geen oog blijkt te zijn voor wat ‘het begin’ eigenlijk is, laat staan voor Dat wat aan ieder begin voorafgaat. Men blijft uitsluitend geboeid door fenomenen, dat wil zeggen objecten van de aandacht, en niet door dat wat deze aandacht mogelijk maakt – wat ‘eraan voorafgaand’ genoemd kan worden. Dit eraan voorafgaande kun je met allerlei termen aanduiden: Leegte, Volmaaktheid, Werkelijkheid, Ongescheidenheid, Kennen-op-zich, Verschilloosheid, maar ze zijn uiteraard geen van alle dekkend. Geen term past hierop. En toch kun je in jezelf ontwaren dat dit een niet-ingevulde ondergrond is van waaruit al je denken oprijst. Er is nog geen enkel concept, geen mening, geen entiteit, geen ‘tweede’, geen dualiteit. Hier moet ‘verschil’ nog geboren worden.
            Zodra je kijkt vanuit dit Verschilloze, vanuit Dat wat ziet, merk je dat je nu pas kunt oordelen over wat je binnenin de veelvoud van verschillen eigenlijk van belang kunt noemen. Nu pas kun je kijken zonder meteen allerlei conceptuele zijwegen in te gaan. Je blijft bij de hoofdzaak. En, wat niet minder belangrijk is: je kijkt vanuit vrede.

De vraag ‘Is er wel iets dat voorafgaat aan dualiteit?’ is hiermee beantwoord. Alleen moet over dit ‘iets’ wel meteen erbij gezegd worden dat dit nou juist niet een ‘iets’ is. Er gaat niet IETS vooraf aan dualiteit. Een ‘iets’ is meteen onderdeel van dualiteit. Dit is misschien wel het meest wezenlijke punt van alles wat je maar kunt leren van oosters non-dualisme. De kern van de zaak is niet iets – maar het maakt wel alle ietsen mogelijk. Dit niet-iets blijkt vaak het lastigste te zijn voor mensen die zoeken naar de kern van de zaak. Steeds blijkt dat wat gezocht wordt toch geïnterpreteerd te worden als een object, een iets, een fenomeen, hoe subtiel ook. Door onze opvoeding en opleiding lijkt het wel onmogelijk om dit niet op deze manier te doen.
            Vandaar dat ik een volstrekt andere manier van kijken zou willen aanbevelen. Een manier van kijken die gebaseerd is op daadwerkelijk onderzoek, in plaats van de manier die door je ouders en onderwijzers is aangereikt. Zodra je jezelf de vraag stelt: ‘Wie of wat maakt deze huidige fenomenen mee?’, zul je zien dat dat niet iets is, niet iemand, en dat er toch op onbegrijpelijke wijze een veelvoud aan fenomenen oprijst. De hele zichtbare en opmerkbare wereld rijst op in jou. Jij bent zelf Dat wat aan dualiteit voorafgaat.

1. Brouwers, L., Het juiste woord. Betekeniswoordenboek der Nederlandse taal. Brussel: Brepols, 1931 (mijn exemplaar is de 4e druk, van 1965).
2. Nog afgezien van het wonderlijke fenomeen dat het woord ‘Bestaan’ gebruikt wordt als zogenaamd voorafgaand aan ‘Zijn’ en ‘Niet-zijn’, blijkt Brouwers dit ‘Niet-zijn’ toch voornamelijk te interpreteren als ‘schijn’, ‘illusie’. Dat deed Roget niet. Bij hem betekent Inexistence ook daadwerkelijk ‘nonexistence’, ‘nonentity’, ‘nothingness’ enz. Bij Brouwers is deze betekenis nr. 135 geworden: ‘Niets’.
3.  Carel ter Linden, mededelend hier niet meer in te geloven, in HP/De Tijd, dec. 2017, p. 79.
4. Bovendien zijn de goden van ‘vreemdelingen’ in Brouwers’ boek (nog in 1965) meteen gerubriceerd als een nog verder vertakt onderdeel, dat zelfs de naam ‘Afgod’ draagt: Allah, Shiva en andere Aziatische benamingen zijn te vinden onder nr. 995 (van de totaal 1000 nummers). 

woensdag 8 augustus 2018


De beide Verlichtingen nu afgebeeld

Opnieuw heb ik een poging gedaan om de Westerse Verlichting samen met de Oosterse te schetsen –­ en nu letterlijk, in een potloodtekening.

1  De bovenste driehoek

De Oosterse Verlichting beeld ik al lang af, en wel als een gelijkzijdige driehoek, geïnspireerd door het grootse Dzogchen-drietal Lege Essentie, Kennende Natuur en Onbelemmerde Uitdrukking. Aanvankelijk tekende ik die driehoek met de punt (van de Uitdrukking) naar boven, maar op een gegeven moment keerde ik hem naar beneden. Ik vond het kloppender om een eventueel vervolg, oftewel de gevolgen van de Uitdrukking, naar beneden af te beelden.
            Wat ik als vervolg beschouw, is eigenlijk meteen Westerse Verlichting. De Oosterse heeft namelijk op zich geen vervolg, geen uitwaaieringen. Die is gewoon wat hij is, en wat hij altijd is geweest. Weliswaar zijn daarin in de loop der eeuwen ook allerlei verbeteringen aangebracht, maar op dit moment voelt het geheel van Oosterse Verlichting aan als een vast gegeven, dat draait om Dat wat nooit gewijzigd is (zoals Tulku Urgyen het zo mooi uitdrukt: “Ik herhaal alleen maar de woorden van de Boeddha”). Vandaar dat ik dit op een zeker moment in een tekening durfde te schetsen. Het is namelijk rotsvast. Gewoon drie punten, of cirkels. Alle vormen van Werkelijkheidsonderricht, zowel Advaita alsook het boeddhistische Dzogchen en Zen, zijn erin vervat.
            De Westerse Verlichting speelde in die tekeningen nog geen rol. Met andere woorden, de waardering die ik voor de Westerse variant heb, werd nog niet getoond. In de huidige tekening heb ik die waardering wel getoond: een zelfde driehoek, onder de eerste, met identieke afmetingen. Maar wat wel meteen erbij gezegd moet worden, is dat de termen die erin geplaatst zijn veel willekeuriger voelen dan die in de oorspronkelijke driehoek.

Laat ik eerst nog even deze oorspronkelijke driehoek in herinnering brengen. Zoals gezegd, is hij gebaseerd op een indeling binnen Dzogchen. Waarom ik durf te zeggen dat hij ook geldig is voor de ‘hindoeïstische’ Advaita Vedanta, is omdat ik een aantal zaken erin als verbeteringen op de Advaita beschouw en ik ervan uitga dat deze verbeteringen als zodanig gaandeweg ook erkend gaan worden. Veel kritische commentaren binnen de klassieke Advaita waarin over boeddhistische elementen wordt gesproken, zijn gebaseerd op een stadium van ontwikkeling binnen het Indiase Boeddhisme (globaal betrof dit 350-900 AD). Van de ontwikkelingen daarna, zowel in China als in Tibet, had men in India geen enkel idee. Zo had zelfs in de twintigste eeuw een groot Advaita-leraar als Atmananda (Krishna Menon) nog kritiek op uitspraken vanuit de Middenweg-school van het Boeddhisme. Hij wist niet dat zowel binnen het Chinese als het Tibetaanse Boeddhisme deze details allang gecorrigeerd waren. Met name was het begrip ‘Leegte’ onderwerp van kritiek. Leegte is op de tekening linksbovenin weergegeven. De traditionele Advaita ging eigenlijk alleen maar uit van louter Bewustzijn, het Kennende en Lichtschenkende beginsel, dat rechtsbovenin afgebeeld staat. Weliswaar was er ook oog voor de ‘Uitdrukking’ (de roze en groene cirkel onderin de driehoek), maar die werd steevast aangeduid als illusie. Alleen het eveneens uit hindoeïstische elementen voortgekomen Kashmir Shivaïsme had hier al een verbetering op aangebracht – de Uitdrukking is in dit Shivaïsme hetzelfde als Dat waarvan het uitdrukking is: namelijk constant Shiva, louter Bewustzijn, Kennen op zich.

Nisargadatta Maharaj had oog voor beide kanten van de zaak, zowel voor het werkelijke alsook voor het totaal illusoire. Vanuit deze omvattende blik maakte hij van de plaats van de ‘uitdrukking’ (door hem vooral verwoord als ‘ik ben’) een plaats waar het tweetal begint. Dualiteit begint hier – dit is de plaats waar Besef gewoon het geval kan zijn, maar waar toch niet-besef in een oogwenk Besef kan verduisteren.
            Ook zoiets als ‘Atman’ (meestal vertaald als ‘het Zelf’), dat door de Advaita zo constant benadrukt wordt als realiteit, werd door Nisargadatta doorzichtig gemaakt, dat wil zeggen als zijnde een concept ontkracht. In mijn ogen terecht. De Advaita verdedigt in allerlei teksten het ‘bestaan’ van Atman, zonder er oog voor te hebben dat een dergelijk ‘bestaan’ meestal snel een conceptueel bouwwerk veroorzaakt, een Entiteit, een ‘Iets’. Nisargadatta zei steeds: ‘Geen enkel concept is waar.’ Dit geldt ook voor de term Brahman. Heel gauw kan Brahman als een grootse Entiteit worden gevoeld. Maar Brahman is geen Entiteit, en heeft zelf geen bestaan – het is juist Dat wat bestaan mogelijk maakt zonder zelf iets te zijn.
            Het voorkómen van deze vergissing van ‘beschouwen als Entiteit’ is exact wat in de Chinese en Tibetaanse ingangen met ‘Leegte’ wordt bedoeld: Niet-iets, Niet-concept, Niet-weten. Met daarbij meteen de nadruk dat Bewustzijn, Kennen-op-zich, onlosmakelijk met Leegte verbonden is, zodat de advaitische kritiek ontzenuwd wordt ‘dat de boeddhisten blijven steken in leegte, die immers alsnog gekend moet worden.’
            Ik heb het gevoel dat eigenlijk pas sinds Nisargadatta het Non-conceptuele frontaal in de vedantische benadering heeft binnengebracht, de totaliteit van het wijdvertakte Non-dualisme eensgezind is geworden. De nadruk op Leegte, het Non-conceptuele, is vermoedelijk de grote correctie van boeddhistisch non-dualisme (advaya) op het vedantische non-dualisme (advaita*).

Het derde aspect naast Leegte en Kennen, hier op de tekening in rozerood en groen getoond en ‘Beleving’ genoemd, wordt in Dzogchen Nirmana-kaya genoemd. Dat is een aanduiding voor de zichtbare en voelbare manifestatie van de andere twee aspecten (respectievelijk Dharma-kaya en Sambhoga-kaya). De historische Shakyamuni Boeddha was een Nirmanakaya-gestalte. Het draait bij dit derde aspect om de weliswaar tijdelijke maar altijd pure Uitdrukking, die in de kern precies datzelfde bevat wat altijd en overal het geval is: het innige, onverbrekelijke samengaan van Leegte en Bewustzijn.
            Dit onafgebroken tweetal van Leegte en Bewustzijn (oftewel Niet-weten en Kennen) is nooit echt ‘twee’, het is juist door de onscheidbaarheid erin louter non-dualiteit. Het is Dat waar alleen maar Niet-twee is, en waarin tegelijkertijd alle vorm en kleur mogen verrijzen. Zowel Leegte als Bewustzijn gaat vooraf aan verschil, aan tijd, aan woord, aan vorm, kleur enzovoort.


Het onafgebroken samenzijn van Leegte en Bewustzijn maakt dat de Uitdrukking hiervan zich net zo onafgebroken afspeelt – onbelemmerd door wat ook. Op deze plaats, de roze-groene cirkel, komt eigenlijk alles samen. In het centrum zie je de letterlijke aanraking, door Nisargadatta vaak aangeduid als de ‘speldenprik’. Ik blijf Beleving de beste term ervoor vinden. Huidig beleven, zonder enig commentaar of verhaal. In dit huidige, in deze ‘huidige vorm’, zijn Besef en niet-besef nog vlak bij elkaar.
            Op deze plaats begint het individu, en ook de wereld. Het is het zaad, het zaad van verschil. Wat zelfs in de droom al vorm heeft, dus manifestatie (vyakta), is hier nog slechts zaad, vormloos, ongemanifesteerd (a-vyakta) – voor de mens is dit de diepe droomloze slaap. Het wordt ook wel ‘causaal lichaam’ genoemd, om aan te geven dat hier alle dualiteit en manifestatie uit voortkomt.

2  De onderste driehoek, die voortkomt uit het dualiteitszaad

Nu over de tweede driehoek. Zoals te zien is, valt de onderste helft van de onderste cirkel in deze tweede, groengekleurde driehoek. Het verschil in kleur in de cirkel is om aan te geven dat deze cirkel als geheel niet alleen maar werkelijk is – hij is dán weer dit en dán weer dat. Zojuist benoemde ik het wel als ‘altijd pure Uitdrukking’, maar dat was om voor een moment te benadrukken dat Uitdrukking niet per se onwerkelijk is. De Uitdrukking, door mij graag ‘Beleving’ genoemd, is zoals gezegd het begin van verschil, dus van dualiteit. Vóór dit begin is er nog geen tijd, geen oorzaak-en-gevolg, geen inhoud, geen enkel verhaal of mythologie – geen ‘twee’. Het heeft nog geen eigenschap, ook al houd ik ervan om het soms aan te duiden als ‘louter Licht’.
            En nu, in Beleving, waarin Licht een aanraking beleeft met de tijdelijke onderbreking ervan – noem het ‘schaduw’, ‘illusie’ of ‘levenloosheid’ – zijn er opeens twee mogelijkheden. Uiteraard is daar nog steeds de herkenning, oftewel Besef (roze bovenin de cirkel geschetst, als ‘derde factor’ behorend bij het altijd-al-vrije van de bovenste driekleurige driehoek), maar meteen is er ook juist het ontbreken daarvan, hier in een andere kleur getekend omdat het typisch dat is wat voor ‘vervolg’ zorgt.

Wat mij betreft is het meest grootse en dankbaar-stemmende voorbeeld van een vervolg de Westerse Verlichting. Dit is het beginsel dat in Europa sinds de achttiende eeuw een dragende kracht is geworden om er meer en meer voor te zorgen dat ieder mens in vrijheid van overheersing door een ander kan leven, vrij om zich te uiten. Ik beschouw dit beginsel als een ongelooflijk belangrijke kwaliteit, ook al is hierin meestal nog steeds geen oog voor dat wat hier wordt aangeduid met ‘Besef’ – concepten zijn nog niet doorzien als bron van onwerkelijkheid.
            Vanuit de optiek van de oosterse ingang (de bovenste driehoek) is de hele onderste driehoek nog steeds een uitdrukking van ‘niet-besef, ondanks alle positieve uitwerkingen. Niet-besef is mijn vertaling van de door de tradities aangeleverde termen a-vidya (Sanskriet), wu-ming (Chinees) en ma-rigpa (Tibetaans). Meestal worden deze termen vertaald als ‘onwetendheid’, maar ik vind dat een zeer misleidend woord; het gaat namelijk niet om het ontbreken van enige vorm van weten of kennis, maar om het ontbreken van onmiddellijk Besef. Het ontbreken daarvan is iets fundamenteel anders – in veel opzichten staat Besef zelfs haaks op de Westerse Verlichting, waarin de term ‘onwetendheid’ terecht is, als duidend op het ontbreken van een door informatie verhelderd (‘verlicht’) denken.
            Niet-besef wil zeggen een doorgaan met een geschapen reeks. Een vervolg creëren, een toevoeging, een uitbreiding, een verbetering desnoods. Dit is wat mij betreft het uitgangspunt van dat wat ik nu als groene driehoek heb geschetst. Ik zie deze driehoek dus als het vervolg op de bovenste.   


Deze groene driehoek is een afbeelding van de ontwikkeling die zich in het Westen heeft afgespeeld sinds de Renaissance en tot bloei komend in de achttiende eeuwse Verlichting. Die ontwikkeling was niet alleen maar rationeel; de zogenaamde Romantiek bijvoorbeeld was wat mij betreft gewoon een variant van de Verlichting. Allerlei detail-verschillen binnenin deze Verlichting kun je voorlopig beter als bijzaak beschouwen – vanuit de behoefte om helder te blijven omtrent wat de hoofdzaak is, noem ik hier ‘Westerse Verlichting’ alles wat ik als echte kwaliteit van het Westen beschouw. Kwaliteit, dat is het punt voor mij, met daarbij nog als belangrijk element: ‘Eer aan de ontdekker of uitvinder van deze kwaliteit’. Eer aan het creatieve. Het gaat hier om het waarderen van alle echte bijdragen aan een ontwikkeling in de zin van groei of verbetering. Op deze plaats ligt dan ook mijn waardering voor geschiedenis (namelijk totaal niets te maken hebbend met de veel geciteerde Krishnamurti-uitspraak “Laat het verleden los”).

Ik durf hier de aandacht te vestigen op het vervolg op de Oosterse Verlichting omdat ik die op zich eerlijk gezegd niet kan ervaren als volledig. De Westerse levert elementen waarin ik de Oosterse vollediger zie worden, inclusiever, universeler. Maar meteen moet ik erbij zeggen dat dit alles voor de goede verstaander van de hier geschetste volgorde is. Los van Besef, los van dat wat de Oosterse Verlichting constant als kern aanreikt, maakt de Westerse op mij namelijk meteen geen indruk meer, want dan blijkt deze meestal tot vormen van cynisme en arrogantie te leiden.

De groene driehoek heb ik wel van enige termen voorzien, maar ze hebben zoals gezegd niet de stelligheid van de drie termen van de driehoek van de Oosterse Verlichting; ze zijn een beetje willekeurig. Wat als drietal bij het schetsen het meest direct bij me opkwam heb ik hier als tijdelijke keus gebruikt. Het is het volgende drietal:
             a. de technologische ontwikkeling, met daarbij de constatering dat deze nu wereldwijd gebruikt wordt (vaak blijkt bijvoorbeeld dat zelfs arme migranten een smartphone hebben, als bijna enige bezit); 
       b. de correcties op deze ontwikkeling, zoals die van de vele bewonderenswaardige milieu-activisten; en
           c. (wat ik als de kern van alle westerse kwaliteiten beschouw:) het benadrukken van de vrijheid en de gelijkheid van ieder individu, zijn recht om zich zo oprecht mogelijk te uiten, niet gehinderd door enig gezagsapparaat (tenzij hij de vrijheid of de uitingsvrijheid van anderen probeert te verhinderen).
            Ik beschouw bijvoorbeeld als een wezenlijke bijdrage van het Westen de vrijheid om overal een kritische blik op te werpen, hoe ‘heilig’ het object van die blik ook heet te zijn. Zeker als iemand de hier geschetste volgorde betracht door eerst conceptloos Bewustzijn te herkennen, mag hij een eventueel gevoel van niet-kloppendheid omtrent iets vertrouwen en er kritische vragen over stellen, bijvoorbeeld in gevallen van ontkenning en verdraaiing van de feiten. Ook al kan iemand anders die alleen maar wil blijven kijken vanuit Oosterse Verlichting, meteen roepen: ‘Ja, maar dit is eigenwijs! Dit is nog typisch beoordeeld vanuit ego!’ Dat maakt niets uit. Als Besef en oprechtheid de basis zijn, mag je vragen stellen en machts- of gezagselementen ontkrachten, vind ik.


Om een voorbeeld te geven: er is momenteel een aantal indologische en sinologische onderzoekers die wel degelijk veel respect voor Oosterse Verlichting laten voelen in hun beschrijvingen (die met andere woorden een zeker zicht hebben op wat eerst beluisterd moet worden), maar die vandaaruit zo helder mogelijk proberen te beschrijven wat ze aantreffen, ook al kan dit beschrijven soms zeer kritisch zijn, en voor sommigen zelfs ontluisterend.** De kritische blik van deze onderzoekers is een van de belangrijkste bestanddelen geweest waardoor ik de Westerse Verlichting ben gaan waarderen. Er zit een enorme kwaliteit in de houding van deze indologen en sinologen; ik durf te zeggen dat ik heel veel heb gehad aan hun nauwkeurige onderzoek – ook wat betreft mijn inzicht. Sommige mensen noemen het ene ‘intellectueel’ en het andere ‘spiritueel’. Vaak hebben ze gelijk in het maken van dit onderscheid. Maar dit gaat gelukkig lang niet overal op. Er zijn onderzoekers die hun intellectuele vermogen helemaal in dienst stellen van de waarheid, en die bijvoorbeeld zelf een oprecht luisterend leerling zijn van een maharaj of een rinpoche of roshi.
            Dit is een goed voorbeeld van wat ik de ‘heilige volgorde’ noem: eerst inzicht (of in ieder geval een doordrongen-zijn van het essentiële belang hiervan voordat je je mond opendoet), en pas daarna detail-kennis en een kritische blik. De bovenste driehoek blijft te allen tijde de kern van de zaak, en de onderste de dienaar ervan. Zodra deze hiërarchische verhouding losgekoppeld wordt, ontstaat er wat mij betreft meteen een onterechte nivellering.
           
Wanneer je jezelf in dienst stelt van de aan alles voorafgaande Werkelijkheid, kun je je afvragen wat de manier is om ook tijdens je bezigzijn in de wereld het Besef van conceptloos Bewustzijn te continueren. Op de tekening staat de groene driehoek vol met het roze puntje van besef, de altijd-aanwezige mogelijkheid om binnenin de vertakkingen van het persoonlijke of individuele in Besef te vallen, in stilte, in het herkennen van conceptloos Zien. Met andere woorden, niets is werkelijk verzwolgen, hoe ver je ook gaat in je fascinatie. De waarheid van de bovenste driehoek (het roze puntje van besef) blijft altijd van kracht: het ononderbroken samengaan van Niet-iets en Kennen dat zich hier inherent uitdrukt, als een natuurlijke gelijktijdigheid (en overigens, niet als een gevolg, omdat oorzaak & gevolg hier nog net niet zijn begonnen). Het is het zien van Tijdloosheid binnenin de vele tijdelijke details.

* De term advaita is op deze plaats alleen maar gebruikt voor het tijdelijke contrast. In feite werd in de vroege Advaita Vedanta de term advaya ook herhaaldelijk gebruikt, soms zelfs meer dan advaita.
** Om hiervan een paar voorbeelden te noemen: Lex Hixon die in zijn proefschrift over de boeddhistische invloed op de Gaudapada Karika de durf toont om zich los te maken van de gangbare, starre interpretatie van veel traditioneel-vedantische commentatoren (waaronder Lex’ eigen leraar Swami Nikhilananda). Prachtig pionierswerk wat betreft de nadruk op het universele van Oosterse Verlichting, oftewel universeel non-dualisme. Door dit boek is Lex Hixon een van mijn voorbeelden geworden. Verder Jeffrey Kripal met zijn kritische behandeling van de vertaalde uitspraken van Ramakrishna in zijn (nog steeds controversiële) Kali’s Child, en John McRae die in zijn Seeing Through Zen allerlei traditionele beweringen over Zenmeesters ontkracht.

Hixon, Alexander P. [Lex], ‘Mahayana Buddhist Influence on the Gauda School of Advaya Vedanta: An Analysis of the Gaudapadakarika.’ Proefschrift Columbia University New York, 1976.
Kripal, Jeffrey J., Kali’s Child. The Mystical and the Erotic in the Life and Teachings of Ramakrishna. Chicago: University of Chicago Press, 1995.
McRae, John R., Seeing Through Zen. Encounter, Transformation, and Genealogy in Chinese Chan Buddhism. Berkeley, CA e.a.: University of California Press, 2003.