zondag 1 december 2019


                  

      De Sleutel, deel 2
                    
                         “Ja, dit is inderdaad het hoogste”

In het tekstje van Longchenpa dat hiervoor op dit blog was geplaatst in het artikel ‘De Sleutel’, werd duidelijk in woorden aangegeven wat we mogen beschouwen als ‘de kern van de zaak’. In een ander gedeelte van zijn Chöying Dzöd, het boek waar het tekstje uit afkomstig is, reikt Longchenpa een soort vervolg hierop aan, niet in de zin van een voortzetting van woorden voor hetzelfde kernthema, maar als een uitgangspunt voor het kunnen beoordelen van al het andere dat over geestelijk leven en bevrijding is geschreven en onderwezen. Hij schrijft daar: “Vanuit het hogere perspectief van de Grote Volmaaktheid (Dzogchen) worden alle gezichtspunten en meditaties van deze andere benaderingen beschouwd als bestemd voor spiritueel-onontwikkelde mensen, omdat deze benaderingen het kernpunt helemaal missen door de essentie van Bewustzijn-op-zich niet op te merken.” [1]
              Op een tekstje als dit zou meteen een reactie kunnen opkomen in de trant van “Wat een arrogante houding! Spreken in termen van ‘Ja, dit is het hoogste’! Alsof die andere benaderingen niet op zich een net zo betrouwbare manier hebben om ‘de kern van de zaak’ aan te duiden!”
              Ja, voor het gezonde verstand is dit een heel begrijpelijke reactie. Het punt is echter dat Longchenpa wijst naar het daadwerkelijk opmerken van Bewustzijn-op-zich – met andere woorden, door wie dit opmerken ook maar wordt gedaan. Het gaat erom óf het wordt opgemerkt of niet.

Tibet is een geïsoleerd gebied, ook nu nog, maar zeker in de veertiende eeuw. Toen kon iemand daar weinig informatie inwinnen over andere tradities. In de huidige tijd, doordrenkt van de verworvenheden van de Westerse Verlichting, kunnen we constateren dat er wel degelijk een paar tradities zijn buiten de genoemde ‘Grote Volmaaktheid’ die in feite een exact zelfde nadruk leggen op het essentiële punt genaamd ‘Bewustzijn-op-zich’. Hoewel het helaas nog steeds vanzelf lijkt te spreken dat deze tradities op hun beurt dit kernpunt, dit ‘Ja, dit is inderdaad het hoogste’, snel koppelen aan het unieke en superieure van hun eigen vorm, doen we er goed aan deze verouderde, zich-toe-eigenende reactie hier even terzijde te leggen. Dan kunnen we namelijk meteen oog krijgen voor het grootse gegeven dat op verschillende plaatsen en binnen verschillende traditionele manieren van spreken reeds gewezen is op exact hetzelfde kernpunt: het lege, aan elke vorm van manifestatie voorafgaande Bewustzijn oftewel Kennen. In de Indiase (Sanskriet-) ingang wordt dit Chit genoemd, in de Chinese noemt men dit Zhi, en in de Tibetaanse heet dit Rigpa. Het zijn wel verschillende termen (en het zijn er uiteraard meer dan deze drie), maar Dat waarnaar deze termen verwijzen is volstrekt Verschilloos. Het is leeg, conceptloos Kennen als zodanig – ‘in al zijn naaktheid’.

                                                                    

In een eerder artikel, ‘Over het herkennen van het belang van het universele in non-dualisme’, werd al een nadruk gelegd op het gegeven dat de mogelijkheid om deze benaderingen identiek (of in ieder geval eensgezind) te noemen, louter en alleen gebaseerd is op het Conceptloze. Dit betekent dat ze allemaal erkennen dat de kern onmogelijk omschreven zou kunnen worden. Wat je ‘het ware zicht’ kunt noemen, is de herkenning dat elke verwoording van de kern er in feite al naast is, dat het Conceptloze er namelijk al is, en dat alle concepten en interpretaties bovenop de conceptloze Werkelijkheid of ‘aldus-heid’ gelegd worden. Dan zal blijken dat vedantische termen om dit aan te duiden herhaaldelijk langs de kern van de zaak schieten. En ook boeddhistische termen schieten herhaaldelijk, op precies dezelfde wijze, langs de kern van de zaak. En andere benaderingen (zoals soefistische, taoïstische enzovoort) schieten herhaaldelijk op precies dezelfde wijze langs de kern van de zaak – terwijl al deze vormen van onderricht wel degelijk kunnen spreken vanuit hetzelfde conceptloze, verschilloze zicht.

                                                                   

Dit Verschilloze verdient wat mij betreft meer aandacht. Allereerst natuurlijk op zich, als zijnde de opening van vrijheid voor iedere oprechte zoeker, maar meteen erna als het dienende element in het onderzoeken van de mogelijkheid van vrede tussen mensen. Als eenmaal gezien kan worden dat dit conceptloze, naakte, verschilloze Bewustzijn de waarachtig bevrijdende factor is in het leven van ieder mens, waar ook woonachtig, kan een enorme hoeveelheid aandacht die nu naar onnodige zaken uitgaat, beëindigd worden. Veel aandacht gaat nu nog steeds naar pogingen om te laten zien dat de eigen benadering beter is dan iedere andere. De ‘superioriteitswaan’ kun je dit noemen.
              Stel dat er eens een eind gebracht zou kunnen worden aan het eindeloos strijden om de superioriteit, allereerst in het geestelijke milieu! Dat zou groots zijn. Ik blijf voelen dat het echt mogelijk is. Waar namelijk door de ware non-dualistische tradities [2] naar gewezen wordt als kern van de zaak, is honderd procent identiek, ook al blijven ze nog steeds hardnekkig beklemtonen dat ze ‘boeddhistisch’ zijn, of juist ‘vedantisch’. Ja, de woorden zijn herhaaldelijk verschillend, maar de strekking ervan niet.
              Het benadrukken van het lege en conceptloze Bewustzijn als de kern van de zaak is het punt, en niet dat dit spreken afkomstig is uit een specifieke hoek. Vandaar mijn pleidooi voor ‘Universeel Non-dualisme’ als een soort vervanging van de verschillende compartimenten met al die namen van groeperingen en tradities. Deze nadrukkelijk van elkaar gescheiden manieren van spreken voelen voor mij als volkomen verouderd. Zodra een westers mens bijvoorbeeld zegt “Ik ben boeddhist”, kan mij dat het gevoel geven alsof we een stap terug in de tijd worden gezet.
   
                                

Wat mij betreft is het een kwestie van afdalen tot de kern van de zaak, en daar bereid zijn om zo waarachtig mogelijk uit te wisselen met een anders-sprekend iemand die eveneens tot de kern van de zaak is afgedaald. Daar een paar termen toelichten, en merken dat sommige inwisselbaar zijn voor andere, enzovoort. Goed luisteren, en samen checken of een specifieke term de zaak dekt of niet, uit welke hoek hij ook komt. Ieder vooroordeel herkennen in jezelf, en de inhoud ervan niet honoreren als geloofwaardig.
              In mijn boek Non-dualisme heb ik het universele, diepgaand-identieke aspect benadrukt. Zo heb ik geprobeerd aan te geven welke kenmerken, naast het genoemde Bewustzijn, werkelijk te benoemen zijn als universeel-geldende factoren waardoor je bij specifieke benaderingen mag spreken van ‘superieure’ benaderingen – superieur in de zin van werkelijk bevrijding schenkend, en niet bevrijding voorhoudend als prachtig ideaal voor ‘ooit het geval’. Wat ik universeel non-dualisme noem, betreft uitsluitend het directe onderricht dat in dit leven bevrijding schenkt.
              In het zoeken naar de hiertoe bepalende kenmerken kwam ik tot een vijftal. Niet dat dit als een definitieve afbakening geldt uiteraard, maar meer als ‘er doemt geen zesde op’ – dus ‘vijf’ als willekeurig getal, zonder enige geestelijke betekenis. [3] Om het hoofdstuk dat hierover gaat (‘De vijf kenmerken van universeel non-dualisme’) [4] een beetje toe te lichten: vanuit dankbaarheid wil ik graag eerst zeggen dat ik alle tradities die mij nog steeds dragen en bevruchten, als gelijkwaardig beschouw, en dat ik ze als afzonderlijke tradities voel als bijna volledige vormen van onderricht, waar dus eigenlijk vrijwel niets aan ontbreekt. Ze zijn alledrie, Advaita, Chan en Dzogchen, al ‘bovenop de berg’, dat wil zeggen dat je naar alle windstreken kunt kijken om open te staan voor de mogelijkheid van een zich aandienende aanvullende factor. Vóór dit moment was je nog aan het klimmen, waardoor je maar een gedeelte van het landschap kon zien. Per definitie werkte dat als een beperking.
              Ieder geestelijk onderricht claimt groots te zijn, en daarbij vaak meteen ook ‘het beste’, ‘superieur’. Hoe kun je er dan achter komen of een dergelijke claim gebaseerd blijkt te zijn op een van de vele beweringen, of op iets dat gegrondvest is in de conceptloze Werkelijkheid? Op superioriteitswaan of op het superieure, bevrijdende inzicht dat aan alle persoonlijke superioriteit een einde maakt?
       Je kunt hier achter komen door je eigen onderscheidingsvermogen te gebruiken. Is het zojuist gemelde onderricht wel gebaseerd op louter Bewustzijn? Is het wel gebaseerd op Leegte, Niet-weten, Niet-iets, dat wil zeggen het Non-conceptuele? Is het wel gebaseerd op ‘altijd-al-verlicht’, ‘a priori verlicht’? Met andere woorden op Tijdloosheid, het Onveranderlijke, reeds aanwezige, dat wat niet gezocht kan worden? En is het gebaseerd op het onmiddellijke, en meteen erna ook: op het natuurlijke? Als één ervan ontbreekt, is er misschien toch iets aan de hand. Dan wordt er misschien iets getoond dat in feite een soort tussenstation is. En, eerlijk gezegd, geen tussenstation heeft ooit tot verlichting geleid.

                                                

Uitsluitend je eigen onderscheidingsvermogen kan duidelijkheid hierover schenken. Lees de teksten van de genoemde tradities, en kijk door de bijzaken heen.
              Zodra je de hoofdzaak in de aandacht blijft houden, zul je zien dat ze het hier, wat betreft de werkelijke hoofdzaak, al helemaal eens zijn, ondanks de schijn van het tegendeel. Hierdoor, door het zien dat zo veel heldere mensen het hierover eens zijn, kun je zelf steeds dieper overtuigd raken van de waarheid ervan. Ze zijn het onwrikbaar eens; alles klopt – terwijl ze wel degelijk vrij ver uiteen woonden: India, China, Tibet, en later nog Korea en Japan.

Het is dankzij het waarachtige Onderricht binnenin deze tradities dat ik kan zien wat Werkelijk is, en wie ik werkelijk ben.
              Dankbaar ben ik, en deze dankbaarheid beschouw ik als een draagvlak. Zo voel ik mij gedragen in ‘mijn eigen’ traditie: Alexander Smit reikte het mij letterlijk aan, in levenden lijve, onder de noemer ‘Advaita’ (gebaseerd op de ingangen van Nisargadatta en Atmananda). Dat wil zeggen dat hij de kern daarvan doorgaf. Het directe, het onbeschrijflijke. En meteen erna zie ik dat een paar andere tradities, zoals Dzogchen en het oorspronkelijke Chinese Chan, precies dezelfde kern hebben doorgegeven. De nadruk op universeel non-dualisme is niet een vorm van ‘vergelijkende filosofie’, nee, totaal niet. Pas na het doordringen van waarachtig Besef kun je zien dat de ingang tot dit Besef niet per se gebonden is aan de taal van je eigen traditie, dat wil zeggen aan een van deze specifieke tradities.

                                          

Naast de Tibetaan Longchenpa, die in zijn Drupta Dzöd [5] een hiërarchisch overzicht gaf van alle hem bekende boeddhistische benaderingen, is een van mijn grote voorbeelden de Chinees Zongmi. [6] Hij leefde in de negende eeuw en was leraar in zowel Chan alsook Huayan, een boeddhistische benadering die wel ‘de leer van de totaliteit’ wordt genoemd. Zongmi wijdde zich aan het steeds dieper doordringen in een totaal-zicht wat betreft de aan hem bekende bevrijdingstradities. In zijn tijd betrof dit uiteraard slechts de tradities die in China bekend waren, Taoïsme, Confucianisme en de verschillende scholen van Chinees Boeddhisme. Hij bracht deze bij elkaar in een hiërarchische indeling, wat als methode in China bekend stond als panjiao, de ‘classificatie van doctrines’. Bovenin zijn hiërarchie stond ‘het meest volledige’ onderricht. Zongmi-vertaler Peter Gregory maakt de steekhoudende opmerking: “Het allerbeste of ‘hoogste’ onderricht is dat onderricht dat het meest omvattende gezichtspunt of ‘zicht’ biedt, waarin alle andere vormen van onderricht op een harmonische manier doorzien kunnen worden.” [7]

                                          

Ook mij gaat het om het meest volledige onderricht, het meest omvattende. Ja, ik lijk wel een beetje op Zongmi, denk ik wel eens. Waarom zou je andermans specifieke, wel-degelijk-bevrijdende element dat als een tip kan werken, in je benadering overslaan? Nee toch, je wilt dat er een zo groot mogelijke duidelijkheid geboden kan worden, door niets te negeren dat een mogelijke aanvulling of correctie bevat. Want bij het samenbrengen van de verschillende ingangen kun je meteen zien dat ze herhaaldelijk correcties aan elkaar hebben aangereikt (of ze deze nu vervolgens hebben geaccepteerd of niet, dat is hier heel even bijzaak). Pas zodra de correcties op elkaar zijn herkend als terecht, hoef je de verschillende tradities niet meer aan te duiden als bijna-volledig, zoals ik eerder in dit artikel deed. Pas dan herken je het volledige, niets-uitsluitende, en herken je ook de terechtheid om dit volledige te benadrukken.
              Ik acht het van belang dat je een volledig onderricht overhoudt dat aan alle kanten gecheckt is, en dat niet lijdt aan vooringenomenheid ten opzichte van een andere ingang. Wij zijn nu, dankzij de Westerse Verlichting, in de positie geraakt dat we werkelijk het geheel kunnen overzien en aldus een einde kunnen maken aan al de verschillende gescheiden denominaties. Al die scheidslijnen zijn bovenop de uiteindelijke Verschilloosheid gelegd en zijn volslagen onwerkelijk. Alleen door het geheel van non-dualisme belangrijk te maken kan er een nieuwe verwoording ontstaan, voorbij ieder sektarisme, voorbij elk ‘ik ben beter dan jij’.
                                     
                                       

Door zelf steeds meer gesetteld te raken in het Conceptloze – dat wil zeggen Verschilloze – kun je makkelijker heenkijken door de concepten die door de verschillende scholen worden aangeboden. Je raakt er minder gauw van in de war, want je kunt heel snel zien of er in zo’n andere benadering een vergelijkbare nadruk op het Conceptloze is. Om een voorbeeld te geven: In de Advaita Vedanta is, afgezien van het revolutionaire onderricht van Nisargadatta, niet duidelijk verwoord dat Bewustzijn zelf altijd leeg is, conceptloos, ‘naakt’, ‘de diep-donkerblauwe staat van Niet-iets’. Er bestaat in de Advaita namelijk nog steeds een allergie ten opzichte van het boeddhistische concept ‘leegte’ (shunyata); het wordt constant misverstaan, en verward met een desolaat en nihilistisch vacuum. Het lijkt wel een hindoeïstische of ‘vedische’ blinde vlek. Daardoor krijg je wel eens het gevoel dat het Absolute (Brahman) eigenlijk wordt gezien als een Oneindige Entiteit die echt een bestaan kent. Er ligt in de Advaita weliswaar ook een nadruk op Nir-guna Brahman, het Absolute zonder (nir-) concept of eigenschap (guna), maar dit wordt helaas niet herkend als precies hetzelfde als de boeddhistische ‘leegte’. De boeddhistische nadruk op leegte en conceptloosheid vormt wat mij betreft een waarachtige correctie op het afwijzen van leegte en conceptloosheid in de Advaita. Nir-guna (Non-concept oftewel Niet-iets) is werkelijk hetzelfde als Shunyata (Non-concept oftewel Niet-iets).

Dit is slechts een voorbeeld. Wat na alle correcties overblijft is een onderricht dat op hetzelfde gebaseerd blijkt te zijn – vandaar termen als het ‘alomvattende’ en ‘vervolmaakte’ onderricht.
              
                                                

Wat mij betreft geldt het volgende: ‘Jazeker, we mogen dit aanwijzen als het superieure onderricht, met de woorden “ja, dit is inderdaad het hoogste”, omdat het het volledige en eensgezinde uitgangspunt is, het einde van alle strijd. Dit aanwijzen van ‘het superieure onderricht’ is niet arrogant. Als Nisargadatta iets zei in de trant van ‘Zoals je de dingen hier hoort, hoor je ze nergens!’, was dat niet arrogant. Hij wees op het diepgaande punt dat als dit conceptloze over het hoofd wordt gezien, je dan steevast in de verkeerde richting wordt gewezen. Zijn aanwijzing is het tegendeel van arrogantie. Het is juist het aanwijzen van de plaats waar alle superioriteit in de zin van ‘ik ben beter dan jij’ doorzien kan worden.
              Dit is de Sleutel. 
              Wij zijn in werkelijkheid allemaal zelf het Verschilloze.

NOTEN
1.  A Treasure Trove of Scriptural Transmission, door Longchenpa. Vertaling Richard Barron. Junction City, CA: Padma, 2001; p. 97. Vertaling van Longchenpa’s Chöying Dzöd, en zijn commentaar erop, de Lungki Terdzöd.
2.  De stromingen die samen het werkelijke, Universele Non-dualisme vormen zijn: 1. de Indiase Advaita (zowel in Vedanta alsook in een aantal tantrische tradities die op Shiva en op Dattatreya zijn georiënteerd); 2. het Chinese, met Tao doordrenkte Chan-boeddhisme (met zijn Japanse variant Zen); 3. de Tibetaans-boeddhistische benadering van Dzogchen (en het direct ermee verwante Mahamudra).
3.  Dit benoem ik zo om het te onderscheiden van het (in mijn ogen bijzaken-betreffende) gebruik binnen het Boeddhisme om voortdurend ‘vaststaande’ lijstjes aan te bieden van ‘numerieke categorieën’, met daarin zaken als ‘de vier misverstanden’, ‘de achttien elementen’, ‘de tien deugden’ enzovoort, enzovoort, en dit op een toon alsof dit alles zeer waarachtige en belangrijke indelingen betreft waar je niet omheen kunt. Zo is dus mijn vijftal in het geheel niet.
4.  Zie Non-dualisme, de directe bevrijdingsweg (Cothen: Juwelenschip, 2005), hoofdstuk 5: ‘De vijf kenmerken van universeel non-dualisme’, p. 100-113. De vijf zijn: Kennendheid, Conceptloosheid, Onmiddellijkheid, Onveranderlijkheid en Natuurlijkheid.
5.  De Drupta Dzöd is vertaald door Richard Barron als The Precious Treasury of Philosophical Systems (Junction City, CA: Padma, 2007).
6.  Guifeng Zongmi (780-841) bevond zich als Zen-leraar in de afstammingslijn van Heze Shenhui, die volgens Zongmi het woord Zhi had aangereikt als: “Het ene woord ‘Kennen’ (Zhi) is de sleutel tot het hoogste geheim.” Nog in de twintigste eeuw werd deze Shenhui-uitspraak in verbasterde vorm geciteerd door de Iers-Engelse schrijver Wei Wu Wei: “Één enkel woord is genoeg om de waarheid te onthullen.” (Open Secret. Hong Kong University Press, 1965, p. V). Zongmi is voor mij ook een groot voorbeeld vanwege zijn nadruk op de combinatie van onmiddellijk ontwaken en geleidelijke uitwerking.
7.  In Peter Gregory’s fantastische boek Tsung-mi and the Sinification of Buddhism (Honolulu: University of Hawaii Press, 2002, p. 261; 1e uitgave: Princeton, 1991). Zie ook Jeffrey Broughton, Zongmi on Chan (New York: Columbia University Press, 2009), waarin volledige vertalingen van Zongmi staan.

*  Algemene noot: Het voelt op zijn plaats om hier Da Free John (1939-2008) te bedanken, die in het aanwijzen van de universele, in-feite-reeds-eensgezinde bevrijdingsweg een groot inspirator is geweest; hij noemde deze universele weg ‘Advaitayana Boeddhisme’ (zie bijvoorbeeld zijn boek Nirvanasara uit 1982). Dat ik Da niet in het artikel zelf heb aangehaald, komt voort uit de complexiteit en verwarring rondom hem als ‘Only-By-Me’-leraar (wat in feite juist het omgekeerde is van het universeel-beschikbare, eensgezinde standpunt) – voor een artikel als dit zou het te ver voeren om echt op hem in te gaan.


zondag 26 mei 2019

 

   De Sleutel
     
          door Longchenpa (1308-1364)

In de kern gaat het erom dat je ontdekt
hoe je oog kunt krijgen voor Bewustzijn op zich
Bewustzijn dat nergens door in beslag genomen wordt.
Het is heel belangrijk dat je Bewustzijn op zich
in al zijn naaktheid gaat herkennen.

De sleutel, het allerdiepste kernpunt, is:
rust uit in het huidige Bewustzijn, in al zijn naaktheid,
door niets in beslag genomen.
Terwijl je vertoeft in de heldere oceaan van Bewustzijn
constateer je de wakkere, oorspronkelijke,
‘verse’ kwaliteit ervan in al zijn naaktheid,
en je verzekert jezelf ervan
dat je er niet van wegdwaalt.

En zo dient Bewustzijn zich aan
als de ware natuur van de fenomenen, de objecten
zonder enige onderbreking
of verdeling in binnen en buiten.

Dit is precies het punt waar je het geheim aanraakt.

Dit is het uiteindelijke geheim van alle geheimen.

            



Dit tekstje is van de veertiende-eeuwse Dzogchen-leraar Longchenpa: een fragment uit zijn meesterwerk Chöying Dzöd. Longchenpa wordt binnen de Dzogchen-traditie beschouwd als de ware grondlegger, degene op wie alle latere tekst steunt.

            Het hier getoonde fragment is een tekstje waarin de hele zaak werkelijk tot de kern wordt teruggebracht. Ik ken eerlijk gezegd weinig schrijfsel dat de kern op een vergelijkbaar grootse manier uitdrukt.

            Het genoemde boek Chöying Dzöd, dat in een zeer goede Engelse vertaling beschikbaar is als A Treasure Trove of Scriptural Transmission, beschouw ik als een van de zeer weinige boeken die over zouden moeten blijven als er nog maar een paar zouden mogen.

            Er zijn daarvan verder echt maar een paar: de Talks van Ramana Maharshi natuurlijk, de twee delen As It Is van Tulku Urgyen, en I Am That van Nisargadatta Maharaj. Én uiteraard de Atmananda Upanishad. En wat de Chinese teksten betreft: hoe geweldig ik het boek van Peter Gregory over Zongmi ook vind, het blijft iets te veel binnen de academische context om het tot een 'laatste' boek te maken. Dan kies ik toch voor de Huangbo-vertaling van John Blofeld, The Zen Teaching of Huang Po.


                                                                      Vertaling (2002) en toelichting (2019): Philip Renard



A Treasure Trove of Scriptural Transmission. Vertaald door Richard Barron. Junction City, CA: Padma Publishing, 2001; p. 228 en 229. Dit boek is een vertaling van de Chöying Dzöd, samen met Longchenpa’s eigen commentaar erop, de Lungki Terdzöd.

zondag 10 maart 2019


Zo-zijn met Oom Alan


Ooit voelde Alan Watts voor mij zo ongeveer als Oom Alan, de Engels-Amerikaanse oom die mijn grote voorbeeld was door alles precies zo te benoemen zoals ik het ook voelde maar niet benoemen kon. Hij was de belangrijkste van de schrijvers die me gered hebben uit een existentialistische manier van kijken. Ik was tweeëntwintig, en het was tot me doorgedrongen dat Oom Alan al op z’n eenentwintigste een boek had gepubliceerd dat het kernpunt aanwees.*1 Dat wil zeggen: het kernpunt losgemaakt van alle theosofische sciencefiction-taal die voorheen als een verwarrende saus over dit onderwerp uitgespreid lag. Ik had eerder ook al wel een boek van hem gelezen, het Nederlandse Zen-boeddhisme (de vertaling van The Way of Zen), maar hij werd pas een echt voorbeeld voor me toen ik zijn oorspronkelijke Engelse boeken begon te lezen. Dat was vanaf 1967, middenin de psychedelische revolutie waarin ik dankzij LSD herhaaldelijk had mee mogen maken wat in het Tibetaanse Dodenboek wordt bedoeld met het Heldere Licht.*2

Ja oom, met het lezen van jouw heldere taal is het diepgaande van ‘non-dualiteit’ me duidelijk geworden. Dank je zeer daarvoor. Niemand zei het zo duidelijk toen. Zo kort, zo verwant voelend met mijn manier van leven. Jij had al eerder LSD ingenomen, en in je prachtige Joyous Cosmology getuigde je ervan. Je woorden in dat boek voegden weliswaar niet iets toe aan mijn eigen ervaring op zich, maar wel werd je er ‘een van ons’ mee, terwijl je bijna dertig jaar ouder was dan ik.

Na de zestiger jaren las ik Alan Watts vrijwel niet meer. Andere bronnen bleken me meer te voeden. Gaandeweg werd me ook steeds duidelijker wat het verschil is tussen iemand die ‘het heel helder kan uitleggen’ en een waarachtig leraar.
            Alan Watts was een zeer getalenteerd uitlegger van de kern van de zaak. Hij was groots in de zin van waarachtig universeel kijkend: hij is degene geweest die me volkomen duidelijk heeft gemaakt dat de kern van de zaak nooit iets kan zijn van één specifieke weg. Hij was zelf weliswaar het meest thuis in Tao en Zen, maar hij gaf steeds op geloofwaardige manier aan dat in stromingen als Advaita Vedanta en Soefisme precies dezelfde kern aanwezig is. Dit is heel bijzonder. Veel mensen denken dat deze universele blik doodnormaal is, maar zodra je echt iets scherper kijkt, blijkt dat de meeste mensen toch hun eigen manier de enige vinden die de kern raakt. In India bijvoorbeeld noemt vrijwel iedereen zich universeel, maar men blijkt daarmee te bedoelen dat het hindoeïsme zo ongelooflijk universeel is. In dit opzicht was bijvoorbeeld Osho oftewel Bhagwan Rajneesh in India een uitzondering; hij was werkelijk universeel kijkend – wat in hoge mate was ontwikkeld onder invloed van Watts. Bhagwan was een groot bewonderaar van Watts.
           
Ik kan nergens een bron vinden waar iemand, eerder dan wat Watts schreef in 1950, kon uitleggen wat ‘non-dualiteit’ eigenlijk op zich is (dat wil zeggen los van specifieke stromingen als Advaita Vedanta) en wat het verschil is tussen non-dualisme en monisme.*3 Ik beschouw Watts’ verwoording uit die tijd als een vorm van pionierschap – in onze huidige tijd is de term ‘non-dualiteit’ in een bepaald gezelschap weliswaar een doodnormaal woord, maar toen lag dit totaal anders. En overigens heeft Van Dale zelfs nu, althans in zijn 2005-editie, het woord nog steeds niet opgenomen.

Waarom las ik Alan Watts op een gegeven moment niet meer? Iets was gewoon overbodig geworden, maar ook begon zijn verregaande vlotheid van inzicht me tegen te staan. Een overdreven gemak met het thema verlichting, gecombineerd met een fractie te veel nadruk op ‘het vrije genieten’. Ik weet het niet exact aan te wijzen. Het werd me in ieder geval duidelijk dat hij zelf niet een levend voorbeeld was van het Uiteindelijke. Hij praatte hier wel heel goed over, maar het bleef de vraag of hij zich door de Grote Zaak had laten ‘opeten’ of dat hij er uiteindelijk mee bleef koketteren. Meer en meer voelde ik dit laatste. Hij hoorde zelf dit soort bezwaren ook wel eens, en daar had hij een gevat antwoord op gevonden. Zo beschreef hij in zijn autobiografie de volgende dialoog met Swami Prabhavananda.*4 De swami had zojuist opgemerkt dat Krishnamurti weliswaar een heel fijn mens is, maar zijn onderricht helaas zeer misleidend, waarna hij besloot met: “Hij lijkt te zeggen dat je ook zonder enige spirituele methode realisatie kunt bereiken, en dat is uiteraard niet waar.”
            “Nee, inderdaad”, zei Alan hierop, “áls er tenminste wel iets is dat bereikt of verkregen kan worden. Jullie Upanishads zeggen het zo duidelijk: ‘Tat tvam asi, Jij bent Dat.’ Dus wat is er dan nog dat bereikt zou moeten worden?”
            De swami riep meteen: “O nee, nee! Het maakt een heel groot verschil of je alleen maar met woorden geïnformeerd bent dat dit zo is, of dat je dit werkelijk verwezenlijkt. (...) Er moet heel wat werk verricht worden om van het eerste naar het tweede te gaan.” Waarop Alan uiteraard een zeer intelligent antwoord gaf, wat erop neerkwam dat deze inspanning allemaal onzin is omdat het al vanaf het begin zo is dat je hetzelfde bent als het Absolute.
           
Toch zag Watts ook zelf wel degelijk in dat er een verschil bestaat. Zo herkende hij bijvoorbeeld in 1973 Da Free John, die toen nog een jonge man was met de naam Franklin Jones, als iemand die werkelijk tot realisatie was gekomen. Hij deed over hem uitspraken als “Het lijkt erop dat we hier een Avatar hebben. Ik kan het niet geloven – hij is werkelijk hier. Op zo iemand heb ik mijn hele leven gewacht. (...) Het is uit allerlei subtiele details duidelijk op te maken dat hij echt Dat ziet waar het allemaal om draait ... zeldzaam, zo iemand.” Alan maakte een afspraak met Franklin, maar vlak voor de geplande ontmoeting overleed hij.*5

Maar hoe dan ook, Watts had met het benadrukken van het onmiddellijke en ‘altijd-al-het-geval-zijnde’ natuurlijk ook volkomen gelijk. In ieder geval meer gelijk dan de mening dat er een lange weg van zwoegen nodig is, met veel meditatie, veel ‘naar de muur staren’, studie, stadia, en eventueel ook rituele of devotionele handelingen. Deze onmiddellijkheid benoemde hij graag met het woord ‘suchness’ (dat lastig te vertalen is in het Nederlands, maar voor het moment kunnen we het ‘zo-heid’ of ‘zo-zijn’ noemen). Prachtige manier van spreken vind ik – veel meer van toepassing dan de filosofische advaita-term ‘het Absolute’.
            Het is vooral vanwege deze nadruk dat ik Alan Watts nog steeds dankbaar ben. Hij heeft mij hiermee op een diepgaande manier beïnvloed. Hij heeft me erop gewezen dat het in dit hele veld van ‘verlichting’ enzovoort eigenlijk alleen maar gaat om het natuurlijke, het gewone. Hij kon dit geheel geloofwaardig toelichten, waardoor ik voor de rest van mijn leven deze nadruk ben blijven voelen als de meest kloppende. Alles moet een natuurlijke gang hebben, anders klopt er iets niet. Het moet tzu-jan zijn, vanzelf, natuurlijk – Watts leerde me hiermee en passant de eerste belangrijke termen in het Chinees, en wees erop dat deze zelfde nadruk op het natuurlijke ook in Indiaas Tantrisme bestond en daar sahaja werd genoemd (wat voor mij aanleiding werd om ook Sanskriet-termen te leren waarderen en op hun specifieke plaats te leggen).
            Geweldig. Dit natuurlijke is wat mij betreft nog steeds de kern.
            Dit natuurlijke is direct verbonden met het zojuist genoemde ‘zo-zijn’ (dat een vertaling is van de Sanskriet-term tathata en het Chinese chen-ju).*6 Je kunt de kern niet aanduiden, en dan kun je alleen nog maar zeggen dat het ‘zo’ is, oftewel ‘aldus’. Geen verder commentaar. Aldus.
            Ja, dit leerde Alan Watts aan de hele wereld. Ik ken niemand anders die de essentie al in de vijftiger jaren zo eenvoudig aanduidde als ‘zo-heid’ of ‘zo-zijn’ (tathata) – wat uiteraard niet met een eigenschap valt te omschrijven maar wat in ieder geval natuurlijk is, spontaan (sahaja).
 
 Ja oom, ik bedoel hierin nog steeds hetzelfde als jij, namelijk “Ha Ha...La ah ah....Ah....Ta tha”  – wat je steeds wilde benadrukken in je boeken. Bijvoorbeeld in je prachtige Nature, Man and Woman, dat me ongelooflijk heeft beïnvloed, met je “When the ear is singing, all other sounds are lost”.*7 Voorbij spreken, voorbij woorden. En toch juist doorgaan met woorden gebruiken! Ja! Je schrijverschap was een vrije sprong die het “Ha Ha...La ah ah....Ah....Ta tha” wilde vervullen. Geweldig! Dank je. Ik heb graag met je gedanst.

  Afbeelding: Volkert Reijn en Philip Renard, 1968          

Noten

1. The Spirit of Zen uit 1936. In 1940 in het Nederlands vertaald door J.A. Blok. Dit was het eerste Nederlandse boek over Zen.

2. Pas later drong tot me door dat deze tekst eigenlijk een Dzogchen-tekst is. De term Dzogchen werd toen nooit gebruikt.

3. Zie Watts’ The Supreme Identity uit 1950; p. 69 en 95.

4. Prabhavananda was toen de leidende Swami in de Ramakrishna Orde in Hollywood. In In My Own Way uit 1972; p. 276 en 277.

5. Later zei Franklin ‘Bubba’ Jones hierover: ‘Sommige mensen doen werkelijk alles om me te ontlopen.’ Citaten zijn uit omslagtekst van The Garbage and the Goddess en voorwoord van The Knee of Listening.

6. Tegenwoordig worden deze Chinese termen tzu-jan en chen-ju anders gespeld: respectievelijk ziran en zhenru.

7.  Nature, Man and Woman, a New Approach to Sexual Experience, uit 1958, p. 149 in de 1ste editie van Thames and Hudson.