dinsdag 25 augustus 2020

         
    
  
Ramana’s Bruiloftsgast-verhaal 
Deel Twee
            
  door Philip Renard 
 
            1   De bruiloftsgast is onvindbaar

Je zult waarschijnlijk wel eens hebben gehoord van Ramana’s verhaal over de bruiloftsgast.[1Hij gebruikte deze figuur als beeld voor de ‘ik-figuur’ oftewel het ‘ego’. De bruiloftsgast was iemand die prominent aanwezig was tijdens een hindoe-bruiloft; hij wordt door Ramana beschreven als iemand die door beide partijen aangevoeld werd als een belangrijk persoon, als iemand die je zelf niet kende maar die door de mensen van de andere familie klaarblijkelijk zeer gewaardeerd werd. Je gaat dan niet meteen informeren wie dat is, je laat eerst alles even gebeuren uiteraard. Ik kan me voorstellen dat het iemand was die ook geestig was, aantrekkelijk, smaakvol – hoewel misschien voor sommigen ook wel een beetje arrogant en irritant. In ieder geval voelde hij fascinerender dan de anderen. Je raakt dan benieuwd naar zo iemand. Wie is deze figuur in godsnaam?
            Op het moment echter dat daadwerkelijk onderzoek naar deze bruiloftsgast werd gedaan bleek hij helemaal onvindbaar. ‘Via een zijdeur het pand verlaten’, zoiets? Niemand kon er de vinger op leggen.

Deze schitterende figuur gebruikte Ramana Maharshi dus voor de in ieder van ons prominent aanwezige ‘ik-figuur’. Zoals de ‘ik-figuur’ in een boek de hoofdpersoon in de ik-vorm is, zo is het ook de absolute hoofdpersoon in onszelf, in ons innerlijk gevoel.
            Zo’n voorbeeld van een uiterlijk belangrijke figuur van een bruiloftsgast kun je meteen voelen als een hulp, namelijk om een dergelijke figuur gemakkelijk als een object te zien, ook innerlijk.

Ook als je af en toe stilzit, of ‘mediteert’, kun je deze ik-figuur waarschijnlijk wel langs zien komen.
            Steeds is hij een object, namelijk van Zien, van Bewustzijn. Wanneer je een openheid meemaakt, een afwezigheid van kleefkracht, kun je heel makkelijk opmerken hoe deze gast in je psyche langskomt.
            Je ziet dan: “Ik zie dat deze ‘ik-figuur’, deze fascinerende, bijzondere verschijning, optreedt in een totaal open en leeg ZIEN, oftewel Kennen.”
           
En zodra je echt ‘als nieuw’ kijkt wie of wat die ik-figuur toch is, kun je waarschijnlijk zelfs zien dat hij dan helemaal verdwenen is. Hij is dan niet meer te zien. Hij blijkt niet tegen het licht te kunnen dat dit echte ZIEN bevat. Je zou kunnen zeggen dat de ik-figuur bestaat dankzij een schemersfeer. Op de momenten van licht blijkt hij louter projectie te zijn – en een projectie kan niet tegen het volle licht. 

                    
           
            2   Het omgaan met deze ‘onvindbare’ gast

Toch kan er, na zo’n stukje over de bruiloftsgast te hebben gelezen, natuurlijk wel iets opkomen als ‘Ja, alles goed en wel, dan zie je die leegte, die afwezigheid van de ik-figuur, maar wat dan nog? Wat kan ik hiermee?’ Daar wil ik graag op ingaan. Allereerst wil ik zeggen dat noch ik, noch iemand die ik ken, eenzelfde absoluutheid aan de dag legt (of kan leggen) als Ramana Maharshi. Alle mensen die ik ken willen nog net als ik graag in een omstandigheid leven waarin een aantal dingen voldoende verzorgd zijn. Er zijn klaarblijkelijk nog steeds belangen. Ik ga er daarom ook van uit dat het bij het spreken over ‘de afwezigheid van de ik-figuur’ het beste is om niet te doen alsof ook wij net als Ramana zijn. We hebben nou eenmaal om te gaan met het reëel voelende gegeven dat we nog geïnteresseerd zijn in deze wereld, en dat er daardoor nog allerlei identificaties met de ik-figuur kunnen optreden.

            Wat mij betreft gaat het om een verzwakken van de geloofwaardig-heid van deze ik-figuur (en niet om een poging tot vernietiging ervan). In Ramana’s manier van spreken IS de ik-figuur er gewoon niet, ‘want jij bent alleen maar Bewustzijn zelf’, dus lijken we daar genoeg aan te hebben. Dit is uiteindelijk wel waar, maar de echtheid ervan moet door de meeste mensen toch nog herhaaldelijk herkend worden. Vandaar dat ik zou willen spreken van de noodzaak van een tweede deel van Ramana’s bruiloftsgast-verhaal. Het blijkt namelijk dat die interessante bruiloftsgast toch weer verschijnt, zo maar, ook al had je zijn afwezigheid toch duidelijk opgemerkt! Dus dan blijkt het nog nodig om een soort training of beoefening te betrachten: herhaling van het zicht. Herhaling is dienend om gewend te raken aan dit herkennen van jezelf als louter Bewustzijn, louter Zien.

 

Het gaat vooral om een verschuiving van een gewenning. Door herhaaldelijk een echte onderbreking in je dagelijkse gedachtegewoontes toe te staan, met eventueel daarbij de vraag “Wie ben ik?” te stellen, kun je daadwerkelijk zien dat de ik-figuur er helemaal niet is. Je wordt op zo’n moment geconfronteerd met Werkelijkheid. Toch kan vlak erna de ik-figuur weer opdoemen. Hij heeft opeens weer een heel geloofwaardig verhaal! Je was iets vergeten, of je had iets overgeslagen, dus moet je binnenkort... Iets in het verhaal kan meteen geloofwaardig klinken. Het kan zelfs zo ver gaan dat iemand weer in een zoekbeweging terechtkomt. Alsof het altijd-aanwezige Licht weg is.

 

Door de vaak herhaalde herkenning van leegte, van de afwezigheid van de ik-figuur en van de aanwezigheid van vanuit-Jezelf-stralend Licht, kan het zoeken wel degelijk aan zijn eind komen. En wel door werkelijk te zien dat er niet iets te zien is, niet iemand, niet een schim, en zeker geen verhaal.

            De zoekbeweging gaat eigenlijk altijd naar binnen. Het gebruikelijke gevoel is dat binnenin iets moet worden opgelost, of hersteld. Ik heb wel eens een tekening gemaakt van twee richtingen: één naar binnen en één van binnenuit naar buiten stralend.

                           

Het verschil tussen deze twee is hier aan de orde. De moderne mens is enorm geïnteresseerd in zijn eigen psyche, zijn ‘innerlijk leven’. Daarin lijkt hij steeds zijn oplossing te willen vinden voor de ingewikkeldheden die hij meemaakt. Alle strategieën, alle methodes, zijn allemaal gebaseerd op dit ‘innerlijk leven’. Ook alle spirituele technieken en succesformules die je tegenkomt zijn gebaseerd op dit innerlijk – ‘de weg naar binnen’. Weliswaar met beloftes van beloningen in de buitenwereld, maar in feite met een sussende houding ten opzichte van dit innerlijk – dat heel vaak nog onvolwassen is gebleven, vanwege karmische restanten als hunkering en wrok. Zoeken naar bevrijding of verlichting is in bijna alle gevallen een beweging naar binnen.

 

Wat ik beschouw als een van de meest heilzame dingen die voortkomen uit de herkenning dat je geest, of psyche, in werkelijkheid (dat wil zeggen ‘in zijn ware natuur’) louter Kennende Leegte is, is het diepe besef dat dit neerkomt op vrede. Zodra je werkelijk kijkt, zie je namelijk dat strijd helemaal afwezig is. Er is niet iemand, en dus ook niet iemand ‘boven’ je. Vrede blijkt al het geval.

            Als het echt tot je doordringt dat dit inderdaad al het geval is, door dit herhaaldelijk aan te treffen in de stilte die je toestaat, ga je leven vanuit dit, in plaats van ernaartoe. Dan zie je wat ik met dat tweede tekeningetje bedoel, waarop de pijlen naar buiten stralen. Als je de herkenning van het vanuit-Jezelf-stralende Licht helemaal gaat toestaan, als het ware van kruin tot voetzool, houdt de hele zaak op, alle kwesties van schuld en wraak. Alle inhoud, elk verhaal, moet namelijk nu nog pas beginnen. Je hebt de kleefkracht van karma zodanig onderbroken dat er nu een schoon blad voor je ligt – ook al is het eveneens waar dat je karmische inhoud, met alle emotioneel-gekleurde verhalen van vroeger, zich in een oogwenk weer kan melden. Vandaar dat het altijd aan te raden is om het herkennen van het Lege Kennen eventueel kort te laten zijn maar wel vaak te laten gebeuren.

 

Deze herkenning houdt ook een herkenning in van de afwezigheid van de ik-figuur. Hoe kort de herkenning ook moge zijn, het moet wel echt herkenning zijn. Een zien dat er uiteindelijk slechts ZIEN is. ‘Zien ziet zien’, noem ik het wel eens.

            Dan besef je ook meteen dat dit wel degelijk de waarheid is, ook al kun je dit als persoon misschien nog niet helemaal waarmaken in je leven. Het is gewoon waar, hoe alle manifestatie zich verder ook zal aandienen.

            Door deze waarheid te blijven herkennen als ‘meer waar’ dan de verhalen van de ik-figuur en ook meer waar dan de slingerende waarheden die ons via de media bereiken, zullen de verhalen gaandeweg afnemen, of in ieder geval de geloofwaardigheid ervan. Op deze manier leer je ook om om te gaan met deze eventueel nog opkomende ik-figuur.

            Net zoals je kunt zien dat deze figuur, zodra je echt het licht erop laat vallen, verdwenen is, kun je ook de momenten herkennen als hij toch daarna weer opkomt; dat wil zeggen dat deze ‘onvindbare’ bruiloftsgast dan toch gewoon opnieuw verschijnt, en wel als een object van constant ziend en licht-schenkend Bewustzijn. Je leert zo om hem meer en meer als een object te zien, niet in de zin van een kille afstandelijkheid, maar als te onderscheiden van Jij die kijkt. Je hebt voor een moment daadwerkelijk gezien dat hij er niet is: je kunt dat ‘leegte’ noemen, een afwezigheid van fenomenen. En erna komt de ik-figuur toch op: dat wil zeggen dat in deze leegte zo maar een fenomeen optreedt. Je kunt dit gemakkelijk onderscheiden. Dit is ‘verschil’, heel eenvoudig.

           

Ik beschouw het als groots als je werkelijk ziet wie of wat je bent; je kunt dan zien dat een van de meest essentiële eigenschappen van je waarachtig-eigen natuur vrede is.[2] De ik-figuur bevat in het algemeen weinig vrede, maar Dat wat de ik-figuur ziet is altijd al in vrede en harmonie met zijn huidige object.

            Dit betekent dat je nu, misschien wel voor het eerst, naar alle dagelijkse dingen en voorvallen kunt kijken zonder een filter of sluier. Sommige moderne mensen doen casual over dit punt, maar volgens mij is dat niet dienend. Dit herkennen van vrede en ongefilterdheid is namelijk uniek.

 

De schets die hier gegeven wordt, van eerst zien dat er niet iets te zien is en erna eerlijk erkennen dat (of ‘als’) er wel degelijk opeens een ik-figuur oprijst, noem ik ‘heilige volgorde’. Ik noem het heilig omdat het kijken vanuit het eerste gegeven, waar blijkt dat die ik-figuur werkelijk niet te vinden is, betekent dat je oog hebt voor Dat wat aan alle fenomenen voorafgaat, en daardoor ook oog voor het ‘begin’ van alle fenomenen, en dat je vervolgens kunt kijken vanuit deze afwezigheid, vanuit deze leegte. Wát er ook maar hierna kan verrijzen, dat is klein en kort vergeleken bij Zien-op-zich. Het kijken vanuit het lege Zien-op-zich beschouw ik als het meest betrouwbare dat er is. De term ‘heilig’ gebruik ik om aan te geven dat dit Zien zelf niet iets van een persoon is, en dat dit daarom vooraf moet blijven gaan aan de aandacht voor persoonlijke opwellingen.

            Zodra je dit in praktijk brengt, maak je mee dat je ongefilterd naar andere mensen kunt kijken, zonder een gekleurde bril. Je ziet dat veel van wat je dacht te zien eigenlijk projecties zijn.

            Je gelooft je projecties niet meer. De mens is dit in het algemeen niet gewend, vandaar dat ik dit uniek durf te noemen.

            Ja, het is groots, dit Zien zelf, deze Bevrijder.

 

N.B.: dit artikel was oorspronkelijk op het blog Volle Cirkel geplaatst met een andere titel: ‘Over de heilige volgorde en het “nut” van non-dualistisch inzicht’.

 

NOTEN:

1. Het bruiloftsgast-verhaal staat in de Talks with Sri Ramana Maharshi (1955), Talk No. 612.          

2. Vanuit dit zicht heb ik de Universele Verklaring van de Ware Natuur van de Mens kunnen schrijven. Daarin schets ik de mogelijkheid dat ieder mens leert kijken vanuit zijn ware natuur, die vrede genoemd kan worden. Downloaden is mogelijk via www.advaya.nl (bij ‘Artikelen’).

maandag 27 januari 2020



Ronald Molag heeft ook een eigen blog, genaamd Advaita training. Ik vind het zeer aan te bevelen: 
https://advaitatraining.jouwweb.nl/


zondag 1 december 2019


                  

      De Sleutel, deel 2
                    
                         “Ja, dit is inderdaad het hoogste”

In het tekstje van Longchenpa dat hiervoor op dit blog was geplaatst in het artikel ‘De Sleutel’, werd duidelijk in woorden aangegeven wat we mogen beschouwen als ‘de kern van de zaak’. In een ander gedeelte van zijn Chöying Dzöd, het boek waar het tekstje uit afkomstig is, reikt Longchenpa een soort vervolg hierop aan, niet in de zin van een voortzetting van woorden voor hetzelfde kernthema, maar als een uitgangspunt voor het kunnen beoordelen van al het andere dat over geestelijk leven en bevrijding is geschreven en onderwezen. Hij schrijft daar: “Vanuit het hogere perspectief van de Grote Volmaaktheid (Dzogchen) worden alle gezichtspunten en meditaties van deze andere benaderingen beschouwd als bestemd voor spiritueel-onontwikkelde mensen, omdat deze benaderingen het kernpunt helemaal missen door de essentie van Bewustzijn-op-zich niet op te merken.” [1]
              Op een tekstje als dit zou meteen een reactie kunnen opkomen in de trant van “Wat een arrogante houding! Spreken in termen van ‘Ja, dit is het hoogste’! Alsof die andere benaderingen niet op zich een net zo betrouwbare manier hebben om ‘de kern van de zaak’ aan te duiden!”
              Ja, voor het gezonde verstand is dit een heel begrijpelijke reactie. Het punt is echter dat Longchenpa wijst naar het daadwerkelijk opmerken van Bewustzijn-op-zich – met andere woorden, door wie dit opmerken ook maar wordt gedaan. Het gaat erom óf het wordt opgemerkt of niet.

Tibet is een geïsoleerd gebied, ook nu nog, maar zeker in de veertiende eeuw. Toen kon iemand daar weinig informatie inwinnen over andere tradities. In de huidige tijd, doordrenkt van de verworvenheden van de Westerse Verlichting, kunnen we constateren dat er wel degelijk een paar tradities zijn buiten de genoemde ‘Grote Volmaaktheid’ die in feite een exact zelfde nadruk leggen op het essentiële punt genaamd ‘Bewustzijn-op-zich’. Hoewel het helaas nog steeds vanzelf lijkt te spreken dat deze tradities op hun beurt dit kernpunt, dit ‘Ja, dit is inderdaad het hoogste’, snel koppelen aan het unieke en superieure van hun eigen vorm, doen we er goed aan deze verouderde, zich-toe-eigenende reactie hier even terzijde te leggen. Dan kunnen we namelijk meteen oog krijgen voor het grootse gegeven dat op verschillende plaatsen en binnen verschillende traditionele manieren van spreken reeds gewezen is op exact hetzelfde kernpunt: het lege, aan elke vorm van manifestatie voorafgaande Bewustzijn oftewel Kennen. In de Indiase (Sanskriet-) ingang wordt dit Chit genoemd, in de Chinese noemt men dit Zhi, en in de Tibetaanse heet dit Rigpa. Het zijn wel verschillende termen (en het zijn er uiteraard meer dan deze drie), maar Dat waarnaar deze termen verwijzen is volstrekt Verschilloos. Het is leeg, conceptloos Kennen als zodanig – ‘in al zijn naaktheid’.

                                                                    

In een eerder artikel, ‘Over het herkennen van het belang van het universele in non-dualisme’, werd al een nadruk gelegd op het gegeven dat de mogelijkheid om deze benaderingen identiek (of in ieder geval eensgezind) te noemen, louter en alleen gebaseerd is op het Conceptloze. Dit betekent dat ze allemaal erkennen dat de kern onmogelijk omschreven zou kunnen worden. Wat je ‘het ware zicht’ kunt noemen, is de herkenning dat elke verwoording van de kern er in feite al naast is, dat het Conceptloze er namelijk al is, en dat alle concepten en interpretaties bovenop de conceptloze Werkelijkheid of ‘aldus-heid’ gelegd worden. Dan zal blijken dat vedantische termen om dit aan te duiden herhaaldelijk langs de kern van de zaak schieten. En ook boeddhistische termen schieten herhaaldelijk, op precies dezelfde wijze, langs de kern van de zaak. En andere benaderingen (zoals soefistische, taoïstische enzovoort) schieten herhaaldelijk op precies dezelfde wijze langs de kern van de zaak – terwijl al deze vormen van onderricht wel degelijk kunnen spreken vanuit hetzelfde conceptloze, verschilloze zicht.

                                                                   

Dit Verschilloze verdient wat mij betreft meer aandacht. Allereerst natuurlijk op zich, als zijnde de opening van vrijheid voor iedere oprechte zoeker, maar meteen erna als het dienende element in het onderzoeken van de mogelijkheid van vrede tussen mensen. Als eenmaal gezien kan worden dat dit conceptloze, naakte, verschilloze Bewustzijn de waarachtig bevrijdende factor is in het leven van ieder mens, waar ook woonachtig, kan een enorme hoeveelheid aandacht die nu naar onnodige zaken uitgaat, beëindigd worden. Veel aandacht gaat nu nog steeds naar pogingen om te laten zien dat de eigen benadering beter is dan iedere andere. De ‘superioriteitswaan’ kun je dit noemen.
              Stel dat er eens een eind gebracht zou kunnen worden aan het eindeloos strijden om de superioriteit, allereerst in het geestelijke milieu! Dat zou groots zijn. Ik blijf voelen dat het echt mogelijk is. Waar namelijk door de ware non-dualistische tradities [2] naar gewezen wordt als kern van de zaak, is honderd procent identiek, ook al blijven ze nog steeds hardnekkig beklemtonen dat ze ‘boeddhistisch’ zijn, of juist ‘vedantisch’. Ja, de woorden zijn herhaaldelijk verschillend, maar de strekking ervan niet.
              Het benadrukken van het lege en conceptloze Bewustzijn als de kern van de zaak is het punt, en niet dat dit spreken afkomstig is uit een specifieke hoek. Vandaar mijn pleidooi voor ‘Universeel Non-dualisme’ als een soort vervanging van de verschillende compartimenten met al die namen van groeperingen en tradities. Deze nadrukkelijk van elkaar gescheiden manieren van spreken voelen voor mij als volkomen verouderd. Zodra een westers mens bijvoorbeeld zegt “Ik ben boeddhist”, kan mij dat het gevoel geven alsof we een stap terug in de tijd worden gezet.
   
                                

Wat mij betreft is het een kwestie van afdalen tot de kern van de zaak, en daar bereid zijn om zo waarachtig mogelijk uit te wisselen met een anders-sprekend iemand die eveneens tot de kern van de zaak is afgedaald. Daar een paar termen toelichten, en merken dat sommige inwisselbaar zijn voor andere, enzovoort. Goed luisteren, en samen checken of een specifieke term de zaak dekt of niet, uit welke hoek hij ook komt. Ieder vooroordeel herkennen in jezelf, en de inhoud ervan niet honoreren als geloofwaardig.
              In mijn boek Non-dualisme heb ik het universele, diepgaand-identieke aspect benadrukt. Zo heb ik geprobeerd aan te geven welke kenmerken, naast het genoemde Bewustzijn, werkelijk te benoemen zijn als universeel-geldende factoren waardoor je bij specifieke benaderingen mag spreken van ‘superieure’ benaderingen – superieur in de zin van werkelijk bevrijding schenkend, en niet bevrijding voorhoudend als prachtig ideaal voor ‘ooit het geval’. Wat ik universeel non-dualisme noem, betreft uitsluitend het directe onderricht dat in dit leven bevrijding schenkt.
              In het zoeken naar de hiertoe bepalende kenmerken kwam ik tot een vijftal. Niet dat dit als een definitieve afbakening geldt uiteraard, maar meer als ‘er doemt geen zesde op’ – dus ‘vijf’ als willekeurig getal, zonder enige geestelijke betekenis. [3] Om het hoofdstuk dat hierover gaat (‘De vijf kenmerken van universeel non-dualisme’) [4] een beetje toe te lichten: vanuit dankbaarheid wil ik graag eerst zeggen dat ik alle tradities die mij nog steeds dragen en bevruchten, als gelijkwaardig beschouw, en dat ik ze als afzonderlijke tradities voel als bijna volledige vormen van onderricht, waar dus eigenlijk vrijwel niets aan ontbreekt. Ze zijn alledrie, Advaita, Chan en Dzogchen, al ‘bovenop de berg’, dat wil zeggen dat je naar alle windstreken kunt kijken om open te staan voor de mogelijkheid van een zich aandienende aanvullende factor. Vóór dit moment was je nog aan het klimmen, waardoor je maar een gedeelte van het landschap kon zien. Per definitie werkte dat als een beperking.
              Ieder geestelijk onderricht claimt groots te zijn, en daarbij vaak meteen ook ‘het beste’, ‘superieur’. Hoe kun je er dan achter komen of een dergelijke claim gebaseerd blijkt te zijn op een van de vele beweringen, of op iets dat gegrondvest is in de conceptloze Werkelijkheid? Op superioriteitswaan of op het superieure, bevrijdende inzicht dat aan alle persoonlijke superioriteit een einde maakt?
       Je kunt hier achter komen door je eigen onderscheidingsvermogen te gebruiken. Is het zojuist gemelde onderricht wel gebaseerd op louter Bewustzijn? Is het wel gebaseerd op Leegte, Niet-weten, Niet-iets, dat wil zeggen het Non-conceptuele? Is het wel gebaseerd op ‘altijd-al-verlicht’, ‘a priori verlicht’? Met andere woorden op Tijdloosheid, het Onveranderlijke, reeds aanwezige, dat wat niet gezocht kan worden? En is het gebaseerd op het onmiddellijke, en meteen erna ook: op het natuurlijke? Als één ervan ontbreekt, is er misschien toch iets aan de hand. Dan wordt er misschien iets getoond dat in feite een soort tussenstation is. En, eerlijk gezegd, geen tussenstation heeft ooit tot verlichting geleid.

                                                

Uitsluitend je eigen onderscheidingsvermogen kan duidelijkheid hierover schenken. Lees de teksten van de genoemde tradities, en kijk door de bijzaken heen.
              Zodra je de hoofdzaak in de aandacht blijft houden, zul je zien dat ze het hier, wat betreft de werkelijke hoofdzaak, al helemaal eens zijn, ondanks de schijn van het tegendeel. Hierdoor, door het zien dat zo veel heldere mensen het hierover eens zijn, kun je zelf steeds dieper overtuigd raken van de waarheid ervan. Ze zijn het onwrikbaar eens; alles klopt – terwijl ze wel degelijk vrij ver uiteen woonden: India, China, Tibet, en later nog Korea en Japan.

Het is dankzij het waarachtige Onderricht binnenin deze tradities dat ik kan zien wat Werkelijk is, en wie ik werkelijk ben.
              Dankbaar ben ik, en deze dankbaarheid beschouw ik als een draagvlak. Zo voel ik mij gedragen in ‘mijn eigen’ traditie: Alexander Smit reikte het mij letterlijk aan, in levenden lijve, onder de noemer ‘Advaita’ (gebaseerd op de ingangen van Nisargadatta en Atmananda). Dat wil zeggen dat hij de kern daarvan doorgaf. Het directe, het onbeschrijflijke. En meteen erna zie ik dat een paar andere tradities, zoals Dzogchen en het oorspronkelijke Chinese Chan, precies dezelfde kern hebben doorgegeven. De nadruk op universeel non-dualisme is niet een vorm van ‘vergelijkende filosofie’, nee, totaal niet. Pas na het doordringen van waarachtig Besef kun je zien dat de ingang tot dit Besef niet per se gebonden is aan de taal van je eigen traditie, dat wil zeggen aan een van deze specifieke tradities.

                                          

Naast de Tibetaan Longchenpa, die in zijn Drupta Dzöd [5] een hiërarchisch overzicht gaf van alle hem bekende boeddhistische benaderingen, is een van mijn grote voorbeelden de Chinees Zongmi. [6] Hij leefde in de negende eeuw en was leraar in zowel Chan alsook Huayan, een boeddhistische benadering die wel ‘de leer van de totaliteit’ wordt genoemd. Zongmi wijdde zich aan het steeds dieper doordringen in een totaal-zicht wat betreft de aan hem bekende bevrijdingstradities. In zijn tijd betrof dit uiteraard slechts de tradities die in China bekend waren, Taoïsme, Confucianisme en de verschillende scholen van Chinees Boeddhisme. Hij bracht deze bij elkaar in een hiërarchische indeling, wat als methode in China bekend stond als panjiao, de ‘classificatie van doctrines’. Bovenin zijn hiërarchie stond ‘het meest volledige’ onderricht. Zongmi-vertaler Peter Gregory maakt de steekhoudende opmerking: “Het allerbeste of ‘hoogste’ onderricht is dat onderricht dat het meest omvattende gezichtspunt of ‘zicht’ biedt, waarin alle andere vormen van onderricht op een harmonische manier doorzien kunnen worden.” [7]

                                          

Ook mij gaat het om het meest volledige onderricht, het meest omvattende. Ja, ik lijk wel een beetje op Zongmi, denk ik wel eens. Waarom zou je andermans specifieke, wel-degelijk-bevrijdende element dat als een tip kan werken, in je benadering overslaan? Nee toch, je wilt dat er een zo groot mogelijke duidelijkheid geboden kan worden, door niets te negeren dat een mogelijke aanvulling of correctie bevat. Want bij het samenbrengen van de verschillende ingangen kun je meteen zien dat ze herhaaldelijk correcties aan elkaar hebben aangereikt (of ze deze nu vervolgens hebben geaccepteerd of niet, dat is hier heel even bijzaak). Pas zodra de correcties op elkaar zijn herkend als terecht, hoef je de verschillende tradities niet meer aan te duiden als bijna-volledig, zoals ik eerder in dit artikel deed. Pas dan herken je het volledige, niets-uitsluitende, en herken je ook de terechtheid om dit volledige te benadrukken.
              Ik acht het van belang dat je een volledig onderricht overhoudt dat aan alle kanten gecheckt is, en dat niet lijdt aan vooringenomenheid ten opzichte van een andere ingang. Wij zijn nu, dankzij de Westerse Verlichting, in de positie geraakt dat we werkelijk het geheel kunnen overzien en aldus een einde kunnen maken aan al de verschillende gescheiden denominaties. Al die scheidslijnen zijn bovenop de uiteindelijke Verschilloosheid gelegd en zijn volslagen onwerkelijk. Alleen door het geheel van non-dualisme belangrijk te maken kan er een nieuwe verwoording ontstaan, voorbij ieder sektarisme, voorbij elk ‘ik ben beter dan jij’.
                                     
                                       

Door zelf steeds meer gesetteld te raken in het Conceptloze – dat wil zeggen Verschilloze – kun je makkelijker heenkijken door de concepten die door de verschillende scholen worden aangeboden. Je raakt er minder gauw van in de war, want je kunt heel snel zien of er in zo’n andere benadering een vergelijkbare nadruk op het Conceptloze is. Om een voorbeeld te geven: In de Advaita Vedanta is, afgezien van het revolutionaire onderricht van Nisargadatta, niet duidelijk verwoord dat Bewustzijn zelf altijd leeg is, conceptloos, ‘naakt’, ‘de diep-donkerblauwe staat van Niet-iets’. Er bestaat in de Advaita namelijk nog steeds een allergie ten opzichte van het boeddhistische concept ‘leegte’ (shunyata); het wordt constant misverstaan, en verward met een desolaat en nihilistisch vacuum. Het lijkt wel een hindoeïstische of ‘vedische’ blinde vlek. Daardoor krijg je wel eens het gevoel dat het Absolute (Brahman) eigenlijk wordt gezien als een Oneindige Entiteit die echt een bestaan kent. Er ligt in de Advaita weliswaar ook een nadruk op Nir-guna Brahman, het Absolute zonder (nir-) concept of eigenschap (guna), maar dit wordt helaas niet herkend als precies hetzelfde als de boeddhistische ‘leegte’. De boeddhistische nadruk op leegte en conceptloosheid vormt wat mij betreft een waarachtige correctie op het afwijzen van leegte en conceptloosheid in de Advaita. Nir-guna (Non-concept oftewel Niet-iets) is werkelijk hetzelfde als Shunyata (Non-concept oftewel Niet-iets).

Dit is slechts een voorbeeld. Wat na alle correcties overblijft is een onderricht dat op hetzelfde gebaseerd blijkt te zijn – vandaar termen als het ‘alomvattende’ en ‘vervolmaakte’ onderricht.
              
                                                

Wat mij betreft geldt het volgende: ‘Jazeker, we mogen dit aanwijzen als het superieure onderricht, met de woorden “ja, dit is inderdaad het hoogste”, omdat het het volledige en eensgezinde uitgangspunt is, het einde van alle strijd. Dit aanwijzen van ‘het superieure onderricht’ is niet arrogant. Als Nisargadatta iets zei in de trant van ‘Zoals je de dingen hier hoort, hoor je ze nergens!’, was dat niet arrogant. Hij wees op het diepgaande punt dat als dit conceptloze over het hoofd wordt gezien, je dan steevast in de verkeerde richting wordt gewezen. Zijn aanwijzing is het tegendeel van arrogantie. Het is juist het aanwijzen van de plaats waar alle superioriteit in de zin van ‘ik ben beter dan jij’ doorzien kan worden.
              Dit is de Sleutel. 
              Wij zijn in werkelijkheid allemaal zelf het Verschilloze.

NOTEN
1.  A Treasure Trove of Scriptural Transmission, door Longchenpa. Vertaling Richard Barron. Junction City, CA: Padma, 2001; p. 97. Vertaling van Longchenpa’s Chöying Dzöd, en zijn commentaar erop, de Lungki Terdzöd.
2.  De stromingen die samen het werkelijke, Universele Non-dualisme vormen zijn: 1. de Indiase Advaita (zowel in Vedanta alsook in een aantal tantrische tradities die op Shiva en op Dattatreya zijn georiënteerd); 2. het Chinese, met Tao doordrenkte Chan-boeddhisme (met zijn Japanse variant Zen); 3. de Tibetaans-boeddhistische benadering van Dzogchen (en het direct ermee verwante Mahamudra).
3.  Dit benoem ik zo om het te onderscheiden van het (in mijn ogen bijzaken-betreffende) gebruik binnen het Boeddhisme om voortdurend ‘vaststaande’ lijstjes aan te bieden van ‘numerieke categorieën’, met daarin zaken als ‘de vier misverstanden’, ‘de achttien elementen’, ‘de tien deugden’ enzovoort, enzovoort, en dit op een toon alsof dit alles zeer waarachtige en belangrijke indelingen betreft waar je niet omheen kunt. Zo is dus mijn vijftal in het geheel niet.
4.  Zie Non-dualisme, de directe bevrijdingsweg (Cothen: Juwelenschip, 2005), hoofdstuk 5: ‘De vijf kenmerken van universeel non-dualisme’, p. 100-113. De vijf zijn: Kennendheid, Conceptloosheid, Onmiddellijkheid, Onveranderlijkheid en Natuurlijkheid.
5.  De Drupta Dzöd is vertaald door Richard Barron als The Precious Treasury of Philosophical Systems (Junction City, CA: Padma, 2007).
6.  Guifeng Zongmi (780-841) bevond zich als Zen-leraar in de afstammingslijn van Heze Shenhui, die volgens Zongmi het woord Zhi had aangereikt als: “Het ene woord ‘Kennen’ (Zhi) is de sleutel tot het hoogste geheim.” Nog in de twintigste eeuw werd deze Shenhui-uitspraak in verbasterde vorm geciteerd door de Iers-Engelse schrijver Wei Wu Wei: “Één enkel woord is genoeg om de waarheid te onthullen.” (Open Secret. Hong Kong University Press, 1965, p. V). Zongmi is voor mij ook een groot voorbeeld vanwege zijn nadruk op de combinatie van onmiddellijk ontwaken en geleidelijke uitwerking.
7.  In Peter Gregory’s fantastische boek Tsung-mi and the Sinification of Buddhism (Honolulu: University of Hawaii Press, 2002, p. 261; 1e uitgave: Princeton, 1991). Zie ook Jeffrey Broughton, Zongmi on Chan (New York: Columbia University Press, 2009), waarin volledige vertalingen van Zongmi staan.

*  Algemene noot: Het voelt op zijn plaats om hier Da Free John (1939-2008) te bedanken, die in het aanwijzen van de universele, in-feite-reeds-eensgezinde bevrijdingsweg een groot inspirator is geweest; hij noemde deze universele weg ‘Advaitayana Boeddhisme’ (zie bijvoorbeeld zijn boek Nirvanasara uit 1982). Dat ik Da niet in het artikel zelf heb aangehaald, komt voort uit de complexiteit en verwarring rondom hem als ‘Only-By-Me’-leraar (wat in feite juist het omgekeerde is van het universeel-beschikbare, eensgezinde standpunt) – voor een artikel als dit zou het te ver voeren om echt op hem in te gaan.


zondag 26 mei 2019

 

   De Sleutel
     
          door Longchenpa (1308-1364)

In de kern gaat het erom dat je ontdekt
hoe je oog kunt krijgen voor Bewustzijn op zich
Bewustzijn dat nergens door in beslag genomen wordt.
Het is heel belangrijk dat je Bewustzijn op zich
in al zijn naaktheid gaat herkennen.

De sleutel, het allerdiepste kernpunt, is:
rust uit in het huidige Bewustzijn, in al zijn naaktheid,
door niets in beslag genomen.
Terwijl je vertoeft in de heldere oceaan van Bewustzijn
constateer je de wakkere, oorspronkelijke,
‘verse’ kwaliteit ervan in al zijn naaktheid,
en je verzekert jezelf ervan
dat je er niet van wegdwaalt.

En zo dient Bewustzijn zich aan
als de ware natuur van de fenomenen, de objecten
zonder enige onderbreking
of verdeling in binnen en buiten.

Dit is precies het punt waar je het geheim aanraakt.

Dit is het uiteindelijke geheim van alle geheimen.

            



Dit tekstje is van de veertiende-eeuwse Dzogchen-leraar Longchenpa: een fragment uit zijn meesterwerk Chöying Dzöd. Longchenpa wordt binnen de Dzogchen-traditie beschouwd als de ware grondlegger, degene op wie alle latere tekst steunt.

            Het hier getoonde fragment is een tekstje waarin de hele zaak werkelijk tot de kern wordt teruggebracht. Ik ken eerlijk gezegd weinig schrijfsel dat de kern op een vergelijkbaar grootse manier uitdrukt.

            Het genoemde boek Chöying Dzöd, dat in een zeer goede Engelse vertaling beschikbaar is als A Treasure Trove of Scriptural Transmission, beschouw ik als een van de zeer weinige boeken die over zouden moeten blijven als er nog maar een paar zouden mogen.

            Er zijn daarvan verder echt maar een paar: de Talks van Ramana Maharshi natuurlijk, de twee delen As It Is van Tulku Urgyen, en I Am That van Nisargadatta Maharaj. Én uiteraard de Atmananda Upanishad. En wat de Chinese teksten betreft: hoe geweldig ik het boek van Peter Gregory over Zongmi ook vind, het blijft iets te veel binnen de academische context om het tot een 'laatste' boek te maken. Dan kies ik toch voor de Huangbo-vertaling van John Blofeld, The Zen Teaching of Huang Po.


                                                                      Vertaling (2002) en toelichting (2019): Philip Renard



A Treasure Trove of Scriptural Transmission. Vertaald door Richard Barron. Junction City, CA: Padma Publishing, 2001; p. 228 en 229. Dit boek is een vertaling van de Chöying Dzöd, samen met Longchenpa’s eigen commentaar erop, de Lungki Terdzöd.