vrijdag 8 juli 2016



De eerste volle cirkel in de lucht

Wat ik wel grappig vind is dat een naamgenoot van mij de eerste volle cirkel in de lucht maakte. Hij heette Charles Renard, en hij maakte de cirkel samen met Arthur Krebs, in Meudon, bij Parijs.
            Op 9 augustus 1884 voltooiden zij in het luchtschip La France de allereerste vlucht die eindigde op de plaats van vertrek; met andere woorden: de eerste vlucht met een volledig bestuurbaar luchtvaartuig. Vóór die tijd waren er alleen ballonnen en luchtschepen die van de wind afhankelijk waren. Maar nu in 1884 kon de eerste volle cirkel in de lucht gemaakt worden, aangedreven door een elektromotor.


Dit betrof een luchtvaartuig dat lichter was dan lucht. De eerste volle cirkel met een vliegtuig dat zwaarder was dan lucht werd uitgevoerd door Wilbur Wright, op 20 september 1904 in Simms Station, Ohio, bijna een jaar na de eerste vlucht ooit, gemaakt door zijn jongere broer Orville. In Europa was de eerste volle cirkel met vliegtuig pas op 13 januari 1908, door Henri Farman; op een Wiki-pagina erover wordt letterlijk de term ‘the first full circle’ gebruikt.

donderdag 7 juli 2016


Het inclusieve

Dit blog, Volle Cirkel,
         beoogt een inclusiviteit aan te reiken.

Allemaal paradoxen.
Voor het verstand niet geschikt,
            hoewel verstand de hele tijd zeer nuttig blijft.
            Dienaar.
Volle Cirkel is niet ‘tegen verstand’,
            of ‘voor verstand’,
            niet ‘tegen het reguliere circuit’,
            en ook niet ‘tegen het alternatieve’.

Volle Cirkel beoogt het
         inclusieve.

Ik noem dit graag
            Inclusieve Verlichting:
            de grootsheid die ontstaat zodra
            het mooiste van het Oosten
            samengaat met het mooiste van het Westen.

Als je het eerste los laat staan van het tweede,
            zou ik de inhoud ervan ‘onvolledig’ noemen,
            en daardoor voor mij uiteindelijk ‘onwaar’.
Ditzelfde geldt voor mij in de omgekeerde richting.
Het mooiste van het Westen, hoe mooi ook,
            zodra het los blijft van het mooiste van het Oosten,
            is alles meteen zeer betrekkelijk.
            Volstrekt onvolledig.

‘Waar’, of ‘werkelijk’, dat is voor mij niet het geval
            als iets onvolledig is, dat wil zeggen exclusief.
            ‘De andere kant’ is namelijk nog niet onderzocht.

woensdag 6 juli 2016



Iets maken dat nog niet bestaat

Soms vraagt iemand waarom ik nog steeds geïnteresseerd ben in geschiedenis. De bekende Krishnamurti-uitspraak ‘Laat het verleden los’ galmt daarbij geluidloos door het vertrek.
            Het denken in reeksen, dat gebruikelijk is bij de aandacht voor geschiedenis, is op zich nog niet hetzelfde als ‘eraan vastzitten’. De vrijheid waarnaar in sommige ware tradities wordt verwezen, is een altijd aanwezig Kennen, dat geen enkele kleefkracht in zich draagt. Het belang van het jezelf losmaken van dat wat blijft kleven, werd bijvoorbeeld benadrukt door de elfde-eeuwse Tilopa:
“Je wordt niet gebonden door wat je ervaart,
maar door jouw vastkleven eraan.
Snij daarom je vastkleven door!”
Ja, dit vastkleven kun je wel de oorzaak noemen van iemands gevoel van onvrijheid, vandaar mijn term ‘kleefkracht’. Toch betreft kleefkracht uitsluitend dat wat je ‘je persoonlijke emotionele affaire’ kunt noemen. Belangstelling heeft op zich nog niet meteen een kleefkracht waardoor je verstrikt raakt. Volstrekte helderheid kan het geval blijven – mits je bereid bent de ware natuur van de geest (en dus van belangstelling) te zien.
           
O! Het is een zegen dat je zomaar, middenin een reeks van mentale vormen, historisch dan wel anderszins, het altijd aanwezige en altijd vrije Kennen kunt herkennen. Dat je zomaar kunt beseffen. In dit Besef is geen sprake van een tegenmaatregel of remedie. Besef kent geen methode.

Omdat dit zo ongelooflijk dichtbij en natuurlijk is, en op zich helemaal niet-iets, vormen de ‘ietsen’, de reeksen van onderwerpen in de psyche, niet een werkelijk obstakel. En wat met name geen obstakel vormt is waar een onderwerp nog helemaal nieuw en fris is. Met andere woorden, als dit iets betreft dat een waarachtige oorspronkelijkheid heeft – zoals bij uitvinders en pioniers. Want wat ik het meest waardeer in ‘geschiedenis’ is het oog krijgen voor het wonder van het nieuwe en schone.
            Zonder zicht op het voorafgaande kun je iets nieuws helemaal niet als een groots gebeuren begroeten. Ik denk dat de tegenwoordige jeugd (en grofweg de meesten onder de veertig) steeds minder dit grootse opmerkt. Hun smartphone is hun dierbaarste bezit, hun redding. Zij kunnen zich er geen voorstelling van maken hoe het leven eruit heeft gezien toen dat instrument nog niet was uitgevonden.

Het grootse van het onderwerp ‘geschiedenis’ zit hem in het het zicht op het wonder van uitvinden en scheppen – iets maken dat nog niet bestaat. Anders gezegd: het waarderen van de wonderbaarlijke oorsprong van verandering en vernieuwing.
            De vraag ‘Wie was de eerste?’ is niet een benieuwdheid naar een winnaar, maar een belangstelling voor waar en hoe een onderwerp nog werkelijk vers was, oorspronkelijk.

dinsdag 5 juli 2016


Terug

Ja, terug. Toch. 
Geen ‘weg terug’, 
en meteen erna zeg ik:    
‘Nu het begin.’

O God!
Zijt Gij het ‘Begin’?
(Kent U die term trouwens?)
Ik begin nu pas,

en wat doet U?
Bent U al moe? Net als ik?
Of begint U ook zojuist?
En kent U het Japanse ‘Mu’?

Dat spreek je uit als Moe, 
Heer!
Wat ben ik opeens vrij met U!
Ik adem zowat in U!

Maar U bent ook zo sweet,
zoals het tegenwoordig heet,
in de Wereldtaal.
Kent U die? De Wereldtaal?

maandag 4 juli 2016

zondag 3 juli 2016



Oer

       Hoe zou iets 
         dat ‘begin’ 
            veroorzaakt,
         zelf een begin 
         gehad kunnen hebben?

(op het moment dat je dit werkelijk tot je
door wilt laten dringen,
houdt de fascinatie op. 
Elke fascinatie.
Het punt blijft of je dit wel wilt.)

Niet ‘jij’, of ‘jij’ dit wel wilt,
maar uiteraard 
ik, jij, zij, jullie, gij enzovoort.

Ja, ik luister steeds opnieuw.
Ik hoor alles voor het eerst.



In de bron is helemaal niets

‘De bron’: zulk taalgebruik riekt naar een kans op romantiek, een zitten bij deze bron, met de zachte klanken van een snaarinstrument.
            Wat ik bedoel met ‘bron’, in ‘de bron van belangstelling’ en ‘de bron van aandacht’, is dat er helemaal niets is in die bron.

Niets. Geen vibratie, geen vorm.
            En opeens is er een eerste vibratie, een eerste opwelling. Opeens is er een gedachte.
            Opeens belangstelling.

‘Bron’, hoe romantisch klinkend ook, is aanduiding van dat waarover je niet verder kunt praten. Want zodra je zegt: ‘Waar komt deze gedachte uit voort?’, zie je meteen dat die uit iets voortkomt dat je ‘leeg’ kunt noemen, ‘volkomen niet-iets’.

De inhoud van de gedachte bestaat weliswaar uit verleden, uit een soort ketting van oorzaak en gevolg, vaak ‘karma’ genoemd. Maar het feit dat een gedachte opkomt is nog steeds los van verleden.

“De wereld wordt geconditioneerd door karma, maar zijn bron is de natuurlijke staat.”[1]


[1] Lopon Tenzin Namdak in Heart Drops of Dharmakaya (Ithaca, NY: 1993), p. 44.

Over kwaliteit en superioriteit

(inzake het ‘geestelijk leven’ alsook al het andere)

                                        
  1
Kwaliteit is een hoog goed.[1]
Kwaliteit.
            Misschien wel datgene waar het,
            ‘werelds gezien’, om gaat.

  2
De drang om zelf kwaliteit te leveren,
            om toonbaar een zekere ‘zin’ te geven aan dit alles,
            is op zich geweldig.
Het is een volslagen onschuldige drang.

Schoonheid komt eruit voort.
Het vermogen om anderen te ontroeren,
            een genoegen te schenken
            in dit tijdelijke bestaan.
Kunst. Poëzie.

  3
Met kwaliteit verschaf je jezelf een plaats
            temidden van anderen.
Er kan een zekere erkenning plaatsvinden.
Wie zou de terechtheid daarvan willen betwisten!

  4
Het valt echter steeds weer op dat datgene
            wat aanvankelijk gewoon toewijding is,
            en wel aan kwaliteit, het allerbeste,
            zelfs aan ‘dat waarom het gaat’,
opeens, of gaandeweg
            (door ‘vrije wil’ dan wel ‘geprogrammeerd’ –
            wat namelijk geen enkel verschil maakt),
doorschiet,
en wil pronken, zegevieren, overheersen, winnen,

waarbij vervolgens deze blinde drang
            gemakshalve onder de tafel wordt geduwd.

  5
In ‘de wereld’, bijvoorbeeld in ‘de kunst’, of in
            ‘de wetenschap’, of in ‘de politiek’, in ‘de sport’, enzovoort,
is dit allemaal bekend, en wordt dit heel gewoon gevonden.
Vechten is daar heel normaal (en ook het verbergen daarvan).
Willen winnen, dat is ‘sport’.

  6
Vaak wordt in geestelijke kringen, met name de non-dualistisch-
           georiënteerde, gedacht dat dit wereldse fenomeen 
           genaamd ‘willen winnen’
niet meer het geval zal zijn zodra er door iemand
            verlichting wordt beleden of geclaimd.
Immers, de boodschap luidt dan dat er
            helemaal geen ik meer is
            dat zou kunnen willen
            dus ook kunnen willen winnen.

Maar dan tonen zich gek genoeg steeds weer zogenaamde verlichten
            die een mening, of liever gezegd oordeel hebben
            over andere zogenaamde verlichten,
            en zichzelf benoemen als ‘de enige ware’,
waaruit blijkt dat zij nog een ‘verschil’ honoreren,
            wat in tegenspraak is met het claimen van ‘geen ik’.
Alleen waar een ik als werkelijk wordt gevoeld, kan er een verschil 
            met ‘anderen’ worden opgemerkt.
                                         
  7
Maar hoe kun je dit alles, dit soort meningen, eigenlijk beoordelen?
Of het nu over de wereld gaat, met zijn prachtige kunstuitingen 
            en  ontroerende nobelheids-acties,
of over iets wat je ‘werkelijk’ (het meest ware van alle
            zogenaamde geestelijk leven) kunt noemen,
            of althans iets werkelijker dan werelds –

je kunt zelf wel degelijk beoordelen
wat heel dichtbij bij jezelf begint.

Het begint niet met ‘wereldse’ elementen, zoals geld, seks en roem.
Dat zit allemaal aan de staart.

Wat aan het begin zit, aan de ‘kop’,
dat is je eigen drang tot
superioriteit.

In een milliseconde wordt je eigen drang tot kwaliteit
            doorgeschoven naar een drang tot superioriteit.
Of het nu schoonheid betreft, of iets anders,
            een volslagen onschuld genaamd ‘kwaliteit’
            vloeit opeens door tot
            superioriteit.

  8
De superieure mens’:
            dat is misschien wel de kiem van alle vergissingen.
Vroeger probeerde ik deze kiem aan te duiden met de term

         macht.

Dat woord werd voor lief genomen.
Vandaar nu een andere term:
            superioriteit.

De kortste tekst is namelijk:
‘Ik ben beter dan jij.’
‘Ik ben beter dan jij.’
‘Ik ben beter dan jij.’

Als dit kort blijft, merk je dat je niets meer hebt uit te zoeken.
Noch je vader, noch je moeder
            had hier iets mee uit te staan.
‘Ik ben beter dan jij.’

  9
Heel bekend is de uitdrukking
            ‘Kennis is macht’.
Mij werd dit al voorgehouden toen het misging op het gymnasium, in 1959, 
           met Oh Carol van Neil Sedaka op de achtergrond.
De uitdrukking blijkt van Francis Bacon te zijn, (een van de ereleden van de Volle Cirkel – immers ‘de vader van de wetenschappelijke methode’, volgens Voltaire).
Hij schreef in het Latijn (‘ipsa scientia potestas est’), en publiceerde dit in Meditationes Sacrae in 1597.

‘Knowledge is power’.
Ik vertaal dit nu als
            Weten is superioriteit’.

Waarom hier de term ‘weten’?
Omdat de dubbelheid er meer door wordt uitgedrukt dan
            het altijd-onschuldige woord ‘kennis’.
Kennis kan nooit verkeerd zijn.
Die staat nooit in de weg.
Noch omtrent Francis Bacon noch Neil Sedaka.
                                    
  10
Weten
leidt tot
superieur-zijn.

Weten is
‘ik weet het
en jij niet’
     (en
‘ik weet het beter dan jij’).


[1] In de zeventiger jaren, toen het woord ‘zen’ voor een tweede keer een modewoord in het Westen was geworden (de eerste keer was dat aan het eind van de vijftiger jaren gebeurd), was een van de veroorzakers ervan het boek Zen and the Art of Motorcycle Maintenance, uit 1974. De schrijver, Robert Pirsig, beschrijft hierin een reis op de motor met zijn zoon, aan de hand van een onderzoek van wat ‘kwaliteit’ eigenlijk is.

vrijdag 24 juni 2016



Yab en Yum zijn nooit gescheiden

Ja, Yab cirkelt nog wat rond.
Yum heeft daar geen moeite mee.
Geduld, dat is wat ze is.
Zij is immers zowel
Niet-weten als Kennen
wat altijd al stil is
(in schijn een tweetal, maar Enkelvoud).[1]

Hij cirkelt nog wat,
onze Yab, Vader van allen.
Op de grond maakt hij
de cirkel bijna vol.
Ja, Yab is een en al bereidheid –
zo wordt hij zelfs
Vaardig in bereidheid’ genoemd.[2]

Mededogen is eveneens zijn naam,
buigend en zich strekkend,
terwijl hij in Haar oplost.
           
En steeds:
Ontroering hoe zij wacht.
Hoe zij daar altijd al stil is.

Schijnbaar is het een tweetal,
Yab en Yum.

Nee hoor.
Dat wat Niet-twee is
danst wel voor ons oog, en
brengt ons constant voort,
maar is zelf nooit uiteen geweest.


[1] In het boeddhisme zijn deze twee allebei vrouwelijk (Tibetaans Yum, Moeder): zowel shunyata als prajna, leegte en het kennende. Het samengaan van dit met het ‘andere’, het mededogend penetrerende, is in het Tibetaans boeddhisme duizenden keren afgebeeld (in vele vormen, en vele namen; in Dzogchen is de belangrijkste Samantabhadra, hier afgebeeld). Dit samengaan drukt de Volledigheid uit.
[2] Upaya, de ‘man’ (Tibetaans Yab, Vader), die ik ken en ook ben, bekend geworden via het Engelse ‘skilful means’: hier niet echt ‘vertaald’, maar wel aldus met vingers en touw geprobeerd.