Drie nieuwe boeken en
Tulku Urgyen:
‘Essentie en uitdrukking’
Inleiding, vertaling en commentaar Philip Renard
Voor mezelf voelt mijn onderricht vaak als een voortzetting van twee afstammingslijnen: in de eerste plaats die van Advaita-leraar Nisargadatta Maharaj en in de tweede die van Dzogchen-leraar Tulku Urgyen. Zij vullen elkaar aan, en vallen wat mij betreft op dezelfde plaats. Deze plaats zou je ‘Beleving’ kunnen noemen, en ook ‘Uitdrukking’. Het gaat om de plaats waar jij alles wat gezegd wordt zelf kunt checken, omdat jij het zelf beleeft. ‘Dit’, jouw huidige beleving op zich (door Nisargadatta vaak als ‘ik ben’ aangeduid), is klaarblijkelijk je eigen uitdrukking.
Dzogchen-onderricht leerde ik in 1986 kennen, hetzelfde jaar waarin ik Alexander Smit leerde kennen, een directe leerling van Nisargadatta. In de loop van de jaren dat ik het specifieke van Dzogchen leerde waarderen, bemerkte ik dat ik van alle Tibetaans-boeddhistische leraren die in Engelse vertaling beschikbaar waren, één leraar er totaal uit vond springen – dat was Tulku Urgyen Rinpoche (1920-1996). Zijn zoon Tsoknyi had me wel eerder al geraakt, maar de woorden van Tulku Urgyen zelf bleken toch een meer ‘blijvend’ effect te hebben. Hij liet me zien dat zodra je werkelijk voor honderd procent overtuigd bent van een specifieke vorm van onderricht, het verder een kwestie is van het steeds opnieuw ‘stempelen’ van deze nadruk. Deze nadruk komt erop neer dat je uitgenodigd wordt om tijdens het meemaken van de uitdrukking van Bewustzijn de essentie van Bewustzijn te herkennen.
Hieronder een vertaling van drie van zijn tekstjes hierover.
1
Ik zou graag iets gedetailleerder willen ingaan op twee belangrijke beginselen: essentie en uitdrukking (ngo bo en rtsal). De verhouding tussen deze twee is vergelijkbaar met die tussen de zon en daglicht: je kunt geen daglicht hebben zonder een schijnende zon. Hetzelfde geldt voor de essentie van de geest en de uitdrukking ervan. De essentie kan niet toenemen of afnemen, hij wordt niet beter of slechter. Of de essentie nu wordt herkend of niet, in de essentie treedt geen enkel verschil op. De enige mogelijkheid voor herkenning ligt in de uitdrukking.
Dit is zeer inlichtend. Alleen in de huidige uitdrukking of expressie van Bewustzijn (beleefbaar als ‘dit’) kun je je ware natuur herkennen, kun je herkennen dat de essentie (Leeg, oningevuld Bewustzijn) constant het geval is, ook in de uitdrukking.
Wat Tulku Urgyen hier ‘essentie’ (ngo bo) noemt, is in Dzogchen meestal alleen maar een synoniem van Leegte, dat als het eerste in de indeling in drie basis-aspecten van onze ware natuur wordt beschouwd. Het tweede aspect, meestal vertaald als ‘natuur’, is het Kennende aspect, het Licht-schenkende. Dit Kennende is in dit verband (van het hier besproken tweetal, ‘essentie en uitdrukking’) eveneens te beschouwen als ‘essentie’, net zozeer als het Lege aspect. ‘Uitdrukking’ (rtsal, een term die ook vertaalbaar is als potentie, energie, levenskracht, expressie, vermogen tot manifesteren) is in de drietal-indeling het derde aspect – ook al wordt soms de term ‘uitdrukking’ al gehanteerd voor dit tweede, Kennende aspect; het lijkt me wijs dit nu even terzijde te laten.
In veel Dzogchen-teksten wordt nadruk gelegd op het altijd samengaan van Leegte en Kennendheid – en wat Tulku Urgyen betreft kun je deze nadruk wel zijn handelsmerk noemen. Dit constante samengaan wordt Rigpa genoemd, vertaalbaar als Bewustzijn. Ik interpreteer hier Tulku Urgyens gebruik van het woord ‘essentie’ als duidend op dit onscheidbare samengaan van Leegte en Kennendheid, dat wil zeggen op Rigpa, Bewustzijn. In Advaita zou dit ‘het Absolute’ genoemd kunnen worden.
Overigens geeft de visie van Leegte (Niet-weten, het Conceptloze) als zijnde het allerhoogste ook een blik op de visie van Nisargadatta, die af en toe zei dat er in het Absolute zelfs geen Kennen of Bewustzijn is, alleen maar een ‘donkerblauwe staat van Niet-weten’. Hoe dan ook, ik beschouw het als van belang om de eerste twee als onafscheidelijk te zien, Leegte en Bewustzijn (oftewel Niet-weten en Kennen), samen voor mij aanduidbaar als conceptloos, oningevuld Bewustzijn, oftewel ‘essentie’.
De uitdrukking van de essentie heeft de mogelijkheid om zichzelf te beseffen, alsook om zichzelf niet te beseffen – hier zie je hoe Besef het hele punt is.
Er wordt wel gezegd: “Wanneer de uitdrukking tot ‘het dagen van Besef’ komt (dat wil zeggen zodra de uitdrukking zijn eigen natuur beseft), is hij bevrijd. Dan is er vrijheid. Wanneer de uitdrukking beweegt als gedachten, als denken, is hij in de war. Dan is er begoocheling.” In het zien van dit onderscheid wordt duidelijk waarin het belang van het verschil ligt.
Wat hier als ‘Besef’ is vertaald, is in Tibetaans shes rab (en in Sanskriet prajñā). ‘Besef’ is de ware natuur van Beleving, van de ‘uitdrukking’. Tulku Urgyen geeft hier het verschil tussen het al of niet tot besef komen aan als het punt waar het om gaat bij het trainen van ons onderscheidingsvermogen. Je beseft of je beseft niet. Het één is vrijheid, het ander is onvrijheid, begoocheling.
Met andere woorden, of de uitdrukking bevrijd wordt als Besef, óf verward raakt in de vorm van gedachten, wordt bepaald door degene die het onderscheid traint, die zijn eigen natuur beseft óf niet beseft. In de essentie zelf is geen enkel verschil; die wordt niet verbeterd door het herkennen ervan, of verslechterd door het niet-herkennen. “Wanneer de uitdrukking tot het dagen van Besef komt, is hij bevrijd. Wanneer de uitdrukking beweegt als gedachten, is hij begoocheld.” Dit is wat het hele verschil uitmaakt. (...)
Deze uitdrukking is je eigen uitdrukking. Hij komt niet van iemand anders, net zomin als daglicht ergens anders vandaan komt dan van de zon. Het vermogen om onderscheid te maken tussen essentie en uitdrukking is het kenmerk van het verschil tussen boeddha’s en gewone stervelingen.
Het is als één identiteit met twee aspecten. De identiteit zelf, de essentie, is als jouw oorspronkelijke zon die van nature stralend en ongefabriceerd is. De uitdrukking, je eigen uitdrukking waarin nog geen herkenning is, neemt dan de vorm aan van waarnemer en waargenomene. Het waargenomene wordt als ‘daarbuiten’ beschouwd, en de waarnemer als ‘hier’. Als in de uitdrukking de essentie niet wordt herkend, neemt de uitdrukking de vorm aan van denken. (...)
Wat is het belang van kennen, van beseffen? Wanneer je de essentie herkent van de uitdrukking [van Bewustzijn] die de vorm van denken heeft aangenomen, wordt de uitdrukking onmiddellijk ‘het dagen van Besef’. (As It Is, Vol. 1, p. 146-147)
2
Op het moment van het herkennen van onze ware natuur wordt de verwarring bevrijd. Voor boeddha’s geldt het woord verwarring niet, noch het woord bevrijding. Verwarring duidt op chaotisch, misleid, op een vergissing berustend. Het woord ‘verwarring’ betekent hier ‘de uitdrukking van Bewustzijn waarin de bewegingen op vergissing berusten’. (...)
Er is ‘Bewustzijn’ (Rigpa) en er is de ‘uitdrukking (rtsal) van Bewustzijn’. Wat nodig is, is de uitdrukking van Bewustzijn toe te staan bevrijd te worden. (...) Voor Bewustzijn zelf gelden woorden als bevrijding en verwarring niet. Het is de uitdrukking die tot conceptualiseren verviel. Zodra de uitdrukking van Bewustzijn zichzelf herkent, is het meteen ‘dagend Besef’. Dit Besef (shes rab; in Sanskriet prajñā) is een Kennen dat geheel verschilt van het gewone kennen of weten dat de uitkomst is van leren en overpeinzen. Dit Besef is de werkelijke prajñā-paramita, het transcendente Kennen of Besef, dat wil zeggen ‘de uitdrukking van Bewustzijn die zichzelf herkent’. Op het moment van Besef vloeit de uitdrukking van Bewustzijn ‘terug’ in Bewustzijn, en is er helemaal in opgelost. Zo is er alleen de staat van Bewustzijn (Rigpa), die identiek is met de staat van de oer-verlichting van alle boeddha’s, de staat waaruit nooit iets is weggedwaald van zichzelf.
Op het moment van Besef zie je dat Besef en Bewustzijn in wezen precies hetzelfde zijn. Besef speelt zich ook nog af in de tijd, maar Bewustzijn niet – in Besef zie je het werkelijke samenvallen van de tijd en het Tijdloze. Weliswaar kan de uitdrukking van Bewustzijn steeds opnieuw, door suggestie en fascinatie, in verwarring gebracht worden, maar zodra de uitdrukking zijn eigen natuur herkent, is er alleen maar Besef. En Besef heeft niets waarin het verschilt van Bewustzijn zelf, zodat er niet nog een ‘stap’ genomen hoeft te worden, of een verwijderingspoging. Herkennen is genoeg – al begint van hieruit wel dat wat nog training kan worden genoemd, het leren stabiliseren hierin.
Een bekende en belangrijke uitspraak luidt: “Wanneer de uitdrukking beweegt als denken, is hij verward. Wanneer de uitdrukking tot ‘het dagen van Besef’ komt, is hij bevrijd.” Niet dat dit betekent dat in de staat van de essentie, dat wil zeggen Bewustzijn (Rigpa), ooit enig verschil optreedt. De staat van Rigpa, Boeddha-natuur zelf, is nooit verward en nooit bevrijd. De verwarring en bevrijding kunnen alleen maar plaatsvinden in de uitdrukking (rtsal) van Rigpa.
De staat van oer-verlichting, de oorspronkelijke, inherente verlichting (ye grol), is de essentie zelf, waar verwarring noch bevrijding is. De staat van gewone stervelingen is een constant geabsorbeerd-zijn door verward denken. Het is de uitdrukking, het denken, dat opnieuw bevrijd kan worden. Terwijl de essentie nooit enig moment verschillend was van de essentie van enige andere boeddha. Dit is het belangrijke punt: herken je eigen essentie. (As It Is, Vol. 1, p. 201-202)
Zoals al eerder in dit commentaar gemeld, in Dzogchen bestaat naast deze indeling in twee (essentie en uitdrukking) ook een indeling in drie. Hierin wordt benadrukt dat de essentie niet alleen leeg is, maar ook kennend – met andere woorden, de verschilloze essentie kan zowel negatief (‘Niet-iets’, ‘het Conceptloze’) als positief (‘altijd-aanwezig Kennen’) benoemd worden.
De uitdrukking is dan het derde aspect, dat in Dzogchen ook als ‘ontvankelijkheid’ en ‘vermogen’ wordt geïnterpreteerd, naast de algemeen-boeddhistische interpretatie ‘compassie’ (thugs rje; in Sanskriet karunā). Dit woord thugs rje is soms te beschouwen als een synoniem van rtsal, en soms komen beide termen in samenstelling voor: ‘de rtsal van thugs rje’: zoiets als ‘het dynamische element in de potentie, in het vermogen van Bewustzijn’. Zie ook het artikel uit 2016 op mijn blog ‘Volle Cirkel’ waarin ik het drietal aspecten als gelijkzijdige driehoek toon: https://volle-cirkel.blogspot.com/2016/09/de-dzogchendriehoek-binnen-hettibetaans.html
Later tekende ik de driehoek opnieuw, maar dan gekoppeld aan mijn eerdere tekening van de medicinale Pil van Nisargadatta, waarop duidelijk getoond wordt waar het begin van dualiteit hem in zit: in het tot Besef komen, óf het erbij laten en niet-besef de bepalende factor in het leven laten blijven. Besef dan wel niet-besef is wat mij betreft het hele punt.
Zie hieronder mijn nieuwe versie van de driehoek, waarin het drietal als het hier besproken tweetal wordt getoond. Je zou kunnen zeggen dat de driehoek, met de rode punten, ontleend is aan Tulku Urgyen, en de uitstralende cirkel aan Nisargadatta.
3
De eenheid van Leegte (stong pa nyid) en Kennendheid (gsal ba; cognizance) heeft een door niets gehinderd en niets verhinderend (ma ’gags) vermogen (thugs rje). Als het door iets gehinderd werd, zouden we niet in staat zijn iets te kennen. Dan zou er een totale blank zijn, een vacuum-staat. Als Kennendheid en Leegte geen eenheid zouden zijn, zou het eerste zich alleen maar tijdens denken afspelen en het tweede tijdens niet-denken. Conceptueel denken blokkeert, hindert, belemmert, begrenst (...). De ‘uitdrukking (rtsal) van Bewustzijn (Rigpa)’ is onbelemmerd (ma ’gags), dat wil zeggen door niets gehinderd en niets verhinderend. Als het niet onbelemmerd zou zijn, zou Bewustzijn helemaal geen capaciteit of vermogen tot manifesteren hebben. Maar essentie heeft een vermogen tot manifesteren. De dharma-kāya en sambhoga-kāya manifesteren zich wel degelijk [en wel als nirmāna-kāya, met de historische Shakyamoeni Boeddha als bekendste voorbeeld van dit gemanifesteerde]. (As It Is, Vol. 1, p. 192)
Appendix
Hierbij nog een tekstfragment dat op de vorige tekstjes aansluit, uit een ander geschrift, namelijk van de achtste-eeuwse Padmasambhava, door velen beschouwd als grondlegger van Dzogchen. Het is een citaat uit een boek van John Reynolds, Self-Liberation Through Seeing With Naked Awareness (p. 26 en 64):
Vanwege de door niets gehinderde en niets verhinderende natuur van de geest is er een voortdurend verrijzen van verschijningen en verschijnselen. Het is vergelijkbaar met hoe de golven zijn ten opzichte van het water van de oceaan, die immers geen twee verschillende dingen zijn: alles wat verrijst is al bevrijd in de natuurlijke staat van de geest.
Dit is wat mij betreft een zeer verduidelijkend tekstje. Omdat de natuur van de geest (sems nyid) niets verhindert en door niets gehinderd wordt (ma ’gags), is er een volledige vrijheid van verschijnen! Verschijnselen dienen zich voortdurend aan, en hoewel het verschijnsel zelf eventueel ‘illusie’ genoemd kan worden, is ‘het zich aandienen van verschijnselen’ op zich geen illusie. Het is gewoon ‘het derde aspect van onze ware natuur’. Vandaar dat vrijheid altijd op ons wacht. Niet als een genade ‘van buiten af’ – nee, als inherent aan onze ware natuur.
Onze ware natuur, inclusief de uitdrukking daarvan, de huidige Beleving, is constant vrij. Dit is de kern van de zaak. Het is niet zo dat Beleving op zich, de huidige uitdrukking, nog ‘doorzien’ moet, of ‘weggewerkt’, om het Absolute te kunnen zien. Nee. Heel gewoon: de uitdrukking is één van de drie aspecten (1 stong pa nyid, het lege; 2 gsal ba, het kennende, 3 ma ’gags, ‘het door niets gehinderde en niets verhinderende’), als een ‘voortdurend verrijzen van verschijningen en verschijnselen’. Dat wil zeggen, Leegte en Kennen zijn weliswaar ‘essentie’ te noemen, maar het derde aspect is gewoon onlosmakelijk ermee verbonden, want ‘unobstructed’ (ma ’gags), dat wil zeggen ‘door niets gehinderd en niets verhinderend’.
Dit is werkelijk het kernpunt van vrijheid: het feit dat het vermogen van Bewustzijn tot manifesteren door niets gehinderd wordt en ook niets verhindert. Bewustzijn verhindert geen enkele verschijning, geen enkele expressie, want het is al in harmonie met zijn huidige object.
_____________
De eerste versie van dit artikel dateert van 2009. Zie op de site advaya.nl twee tekstjes uit hetzelfde jaar: mijn eerste artikel over Dzogchen en een vertaling van een tekstje van Tsoknyi, een zoon van Tulku Urgyen.
Tulku Urgyen Rinpoche, As It Is, Vol. 1. Boudhanath: Rangjung Yeshe, 1999. Engelse vertaling Erik Pema Kunsang (Schmidt).
John
Reynolds (vert.), Self-Liberation Through
Seeing with Naked Awareness. Barrytown,
NY: Station Hill, 1989.
‘Daar is niks mis mee’
Over de twee extremen in de huidige advaita,
met methodes, oneliners en vallende kwartjes
In veel gevallen van onmin binnen het moderne advaita-milieu wordt over het hoofd gezien dat de kern van alle non-dualistisch onderricht door de eeuwen heen altijd al neerkwam op het volgende:
“Jij bent altijd al, ja altijd al, bevrijd, ontwaakt en verlicht.”
Adi-boeddha heette dit, zowel in vedantische alsook enkele boeddhistische vormen van non-dualisme. Adi-boeddha wil zeggen dat verlichting nooit niet is geweest, omdat er niet een oorsprong van valt aan te wijzen. ‘Verlicht’ is wat je altijd al bent, want jij bent niet geboren, en Kennend Licht oftewel Bewustzijn is altijd al het geval. Het is a priori.
De zesde-eeuwse tekst Gaudapada Karika, die beschouwd kan worden als de oorsprong van de Advaita Vedanta, zegt dan ook onomwonden:
“De ware natuur van alle als fenomeen opmerkbare wezens is net zo beginloos als het luchtruim. Je kunt daar geen verschillen constateren, of veelvoud. Alle wezens zijn klaarblijkelijk al verlicht ‘vanaf het allereerste begin’ (adi-boeddha)” [vers IV.91-92].
Sommige mensen zeggen dat dit alles is, en dat we het dus verder niet meer hoeven te hebben over het ‘bereiken’ van verlichting. In het huidige tijdperk komt dit steeds vaker voor. Zulke mensen noemen dit dan bijvoorbeeld ‘het kwartje is gevallen’, of gebruiken een andere oneliner. Vaak ook zeggen zij iets als ‘ik ben er niet’, wat de zaak nog eenvoudiger maakt. Het idee dat er door de eeuwen heen in alle non-dualistische tradities gesproken is over een jarenlang onderricht en de noodzaak van een zekere beoefening of training, is vanuit de blik van iemand die ‘er niet is’ uiteraard volslagen onzinnig.
Dit is een van de twee extremen (vaak door anderen ‘neo-advaita’ genoemd) die de polen vormen binnen de moderne advaita vedanta. Het andere extreem vormt de groep die ik hier voor het gemak aanduid als de ‘methodische vedanta’. Advaita vedanta wordt hierin aangeboden als een soort cursus, helemaal gebaseerd op ‘knowledge’ – wát er dan ook maar precies met dit Engelse woord wordt bedoeld behalve de knowledge die in deze benadering vaak ‘vedisch’ wordt genoemd. ‘Ervaring’ (experience) wordt in deze contreien geschuwd als een zeer foutief woord, en zelfs het directe in het onderricht blijkt niet helemaal de bedoeling.* De shruti, dat wil zeggen de ‘onfeilbare woorden’ in Veda’s en Upanishads, daar draait alles om.
Wat mij betreft gaat het om een middenweg. Ik beschouw de beide genoemde extremen als ‘uit het midden geraakt’. De eerste doet aan te weinig, want is geheel onvolledig, en de tweede doet aan teveel, want is doorgeslagen.
Zoals gezegd, het altijd-al-verlicht-zijn blijft het uitgangspunt. Maar wat moet je doen als je dit verlicht-zijn niet kunt opmerken? Want allerlei vormen van fascinatie hebben er bij vrijwel ieder mens voor gezorgd dat het zicht op zijn ware natuur, de in ieder mens aanwezige ‘boeddha-natuur’ of ‘verlichtings-natuur’, versluierd is geraakt. Elk onderricht draait eigenlijk om het doorzien van deze versluieringen – althans, dit geldt natuurlijk slechts voor zover iemand erkent dat er nog versluieringen van zijn zicht optreden. Bij de ontkenning daarvan is er natuurlijk geen noodzaak meer tot enig spreken, laat staan onderricht.
Verschil van mening over het idee dat bevrijding bestaat en dat er een ‘weg’ zou zijn om bevrijding deelachtig te worden, komt wat mij betreft vooral neer op misverstand rondom begrippen. ‘Kennis’, ‘ervaring’, ‘training’, ‘bewustzijn’, ‘direct’, ‘weg’: al die woorden zijn volkomen afhankelijk van ieders interpretatie ervan.
Dus zodra mensen beweren dat er ook nog een zekere ‘beoefening’ of ‘training’ noodzakelijk is, hangt het er wel vanaf wat ze daarmee bedoelen.
Er zijn twee mogelijkheden:
1. Je traint naar iets toe. Om ergens te komen of iets te bereiken, namelijk bevrijding.
2. Je traint vanuit iets. Niet om ergens te komen, maar als een natuurlijk vervolg op een eerste herkenning van je ware natuur. Je voelt dat het éénmaal herkennen van je ware natuur niet ‘het einde’ is en dat de herkenning nog een zekere gewenning behoeft om in te kunnen dalen in je hele systeem. Je traint vanuit het reeds herkende ‘zien zelf’.
Ik beschouw dit als twee volledig verschillende zaken, die wel helder uit elkaar gehouden zouden mogen worden. Als iemand er het eerste mee bedoelt, ben ik het eens met de ‘kwartje-viel’-benadering waarin gezegd wordt dat er helemaal niet iets is om naartoe te gaan, omdat jij dat al die tijd al bent. Ergens naartoe gaan en ergens voor studeren betekenen gauw dat er geen oog meer is voor het onmiddellijke. En wat mij betreft is het onmiddellijke oftewel directe juist een van de kernpunten van non-dualiteit. Als je altijd al, en dus ook vanaf je geboorte, verlicht bent – althans in potentie – dan kan de realisatie daarvan, het daadwerkelijk verwerkelijken ervan, uiteraard alleen maar onmiddellijk zijn. Daar kan geen weg naartoe zijn. Geen uitstel, geen cursus of methode, geen enkel medium of middel kan daartoe als een hulp dienen.
Maar om meteen te claimen dat de realisatie al zodanig is ingedaald dat er geen enkele vorm van verwarring meer opkomt, zie ik als een valkuil van de andere zijde – de nadruk op ‘helemaal niemand hier’. Een niet-iemand die zich op de niet-bestaande borst klopt. De verwarring die je bij zo iemand nog kunt zien optreden, wordt dan vaak met de uitspraak ‘maar ook daar is niks mis mee’ beantwoord. Steeds blijkt bij mensen van de ‘oneliner-advaita’ dat elke beweging, elk detail, haastig vergezeld gaat van deze gouden uitspraak ‘daar is niks mis mee’.
Het is trouwens een heel opvallend fenomeen dat aan beide zijden, in beide extremen, een nadruk blijft liggen op redeneren.
Aan de ene zijde, de zogenaamde neo-advaita, blijkt in de redenering een hoofdrol weggelegd te zijn voor het niet-bestaan van vrije wil. Er wordt een weten omtrent het niet-bestaan van vrije wil aan de dag gelegd, waarbij in het bespreken van talloze onderwerpen de conclusie steeds op hetzelfde neerkomt, namelijk ‘dat ik daar niets aan kan doen, omdat het gewoon gebeurt zoals het gebeurt’. Ik zou dan zeggen: ‘Oké, dan zijn we uitgepraat, want taal vervalt hier’, maar je ziet dezelfde mensen steeds opnieuw ditzelfde blijven zeggen en zelfs een gehoor ervoor uitnodigen.
Aan de andere zijde word je snel overspoeld met argumenten die stammen uit het India van minstens drie eeuwen geleden. Het blijkt herhaaldelijk om ‘onfeilbare teksten’ te gaan, en vandaaruit wordt dan geredeneerd. Nee, dat levert in het algemeen niet iets op dat ik als echt intelligent ervaar. Veel in deze rigide benadering vind ik eerlijk gezegd een vorm van fundamentalisme. Met iemand praten die uitgaat van dogma’s, met ‘onfeilbaarheden’, dat is voor mij vrij gauw onmogelijk.
Maar wat wel meteen hierna gezegd moet worden is dat ik zelf de aandacht voor de schriftelijke traditie heel waardevol vind. En ook moet ik erbij zeggen dat ik bij mijn huidige vertaalwerk van het advaita-geschrift Viveka Chudamani veel heb gehad aan het commentaar van Swami Dayananda, die een van de belangrijkste figuren was uit de ‘methodische’ advaita. Een aantal details heeft hij me op een wel degelijk intelligente manier helpen verduidelijken, waar ik hem oprecht dankbaar voor ben. Maar dat is allemaal via het geschreven woord. Dan is de nauwgezette aandacht voor traditie echt op zijn plaats, want het kan allerlei vaagheden tot helderheid brengen. Wat het mondelinge onderricht betreft is dit tot helderheid brengen uiteraard precies zo de hoofdzaak, maar het verloopt gewoon veel onbegrijpelijker. Dan kom je in aanraking met het wonder. Oog in oog met elkaar wordt het meteen een heel andere manier van doen. Het ware onderricht is wat mij betreft altijd mondeling onderricht, en dit is per definitie direct onderricht. Nooit is het een methode. Het draait altijd om het natuurlijke contact – de enige gelegenheid waarbij je ‘als vanzelf’ op blinde vlekken gewezen kunt worden. Een methodische behandeling van geschriften is in de meeste gevallen niet zo geschikt om binnen te brengen in dit directe onderricht; het kan heel vertragend werken. Wel kun je pratend uiteraard van alles erbij halen, ook tekstdetails die ertoe doen, zeker, maar niet ten koste van het onmiddellijke contact, het oog in oog staan. Oog in oog met het mysterie, dat wil zeggen zo min mogelijk redenerend, want de kern van de zaak heeft nét niet met een argument te maken.
Of er wel of niet zoiets is als vrije wil, kun je volgens mij niet weten. Niet voor niets zei Ramana Maharshi in zijn Veertig verzen:
“Degenen die discussies voeren over wat uiteindelijk de doorslag geeft, lotsbestemming of vrije wil, hebben geen weet van de Bron van zowel lot als vrije wil. Zij die het Zelf kennen als de Bron van lot en vrije wil, zijn vrij van beide. Zullen zij er dan nog in verstrikt kunnen raken?” [vers 19].
Alles draait wat mij betreft om het onmiddellijke Besef. Besef heeft geen enkel soort ‘wil’ nodig, geen tijd, geen enkele redenering, geen ‘kennis’ of methode. Dat alles is dan gestopt.
Er is niet iemand die Besef heeft of die in Besef te vinden is – ook ieder ‘iemand’ is gestopt. Wat evident is en nooit onvrij was, is zien zelf.
* Zo kwam ik bijvoorbeeld onlangs uitspraken tegen waarin kritiek werd geüit op het directe element in het onderricht van Atmananda (Krishna Menon). Zie: www.shiningworld.com/site/satsang/read/2700
Toch kan er, na zo’n stukje over de bruiloftsgast te hebben gelezen, natuurlijk wel iets opkomen als ‘Ja, alles goed en wel, dan zie je die leegte, die afwezigheid van de ik-figuur, maar wat dan nog? Wat kan ik hiermee?’ Daar wil ik graag op ingaan. Allereerst wil ik zeggen dat noch ik, noch iemand die ik ken, eenzelfde absoluutheid aan de dag legt (of kan leggen) als Ramana Maharshi. Alle mensen die ik ken willen nog net als ik graag in een omstandigheid leven waarin een aantal dingen voldoende verzorgd zijn. Er zijn klaarblijkelijk nog steeds belangen. Ik ga er daarom ook van uit dat het bij het spreken over ‘de afwezigheid van de ik-figuur’ het beste is om niet te doen alsof ook wij net als Ramana zijn. We hebben nou eenmaal om te gaan met het reëel voelende gegeven dat we nog geïnteresseerd zijn in deze wereld, en dat er daardoor nog allerlei identificaties met de ik-figuur kunnen optreden.
Wat mij betreft gaat het om een verzwakken van de geloofwaardig-heid van deze ik-figuur (en niet om een poging tot vernietiging ervan). In Ramana’s manier van spreken IS de ik-figuur er gewoon niet, ‘want jij bent alleen maar Bewustzijn zelf’, dus lijken we daar genoeg aan te hebben. Dit is uiteindelijk wel waar, maar de echtheid ervan moet door de meeste mensen toch nog herhaaldelijk herkend worden. Vandaar dat ik zou willen spreken van de noodzaak van een tweede deel van Ramana’s bruiloftsgast-verhaal. Het blijkt namelijk dat die interessante bruiloftsgast toch weer verschijnt, zo maar, ook al had je zijn afwezigheid toch duidelijk opgemerkt! Dus dan blijkt het nog nodig om een soort training of beoefening te betrachten: herhaling van het zicht. Herhaling is dienend om gewend te raken aan dit herkennen van jezelf als louter Bewustzijn, louter Zien.
Het gaat vooral om een verschuiving van een gewenning. Door herhaaldelijk een echte onderbreking in je dagelijkse gedachtegewoontes toe te staan, met eventueel daarbij de vraag “Wie ben ik?” te stellen, kun je daadwerkelijk zien dat de ik-figuur er helemaal niet is. Je wordt op zo’n moment geconfronteerd met Werkelijkheid. Toch kan vlak erna de ik-figuur weer opdoemen. Hij heeft opeens weer een heel geloofwaardig verhaal! Je was iets vergeten, of je had iets overgeslagen, dus moet je binnenkort... Iets in het verhaal kan meteen geloofwaardig klinken. Het kan zelfs zo ver gaan dat iemand weer in een zoekbeweging terechtkomt. Alsof het altijd-aanwezige Licht weg is.
Door de vaak herhaalde herkenning van leegte, van de afwezigheid van de ik-figuur en van de aanwezigheid van vanuit-Jezelf-stralend Licht, kan het zoeken wel degelijk aan zijn eind komen. En wel door werkelijk te zien dat er niet iets te zien is, niet iemand, niet een schim, en zeker geen verhaal.
De zoekbeweging gaat eigenlijk altijd naar binnen. Het gebruikelijke gevoel is dat binnenin iets moet worden opgelost, of hersteld. Ik heb wel eens een tekening gemaakt van twee richtingen: één naar binnen en één van binnenuit naar buiten stralend.
Het verschil tussen deze twee is hier aan de orde. De moderne mens is enorm geïnteresseerd in zijn eigen psyche, zijn ‘innerlijk leven’. Daarin lijkt hij steeds zijn oplossing te willen vinden voor de ingewikkeldheden die hij meemaakt. Alle strategieën, alle methodes, zijn allemaal gebaseerd op dit ‘innerlijk leven’. Ook alle spirituele technieken en succesformules die je tegenkomt zijn gebaseerd op dit innerlijk – ‘de weg naar binnen’. Weliswaar met beloftes van beloningen in de buitenwereld, maar in feite met een sussende houding ten opzichte van dit innerlijk – dat heel vaak nog onvolwassen is gebleven, vanwege karmische restanten als hunkering en wrok. Zoeken naar bevrijding of verlichting is in bijna alle gevallen een beweging naar binnen.
Wat ik beschouw als een van de meest heilzame dingen die voortkomen uit de herkenning dat je geest, of psyche, in werkelijkheid (dat wil zeggen ‘in zijn ware natuur’) louter Kennende Leegte is, is het diepe besef dat dit neerkomt op vrede. Zodra je werkelijk kijkt, zie je namelijk dat strijd helemaal afwezig is. Er is niet iemand, en dus ook niet iemand ‘boven’ je. Vrede blijkt al het geval.
Als het echt tot je doordringt dat dit inderdaad al het geval is, door dit herhaaldelijk aan te treffen in de stilte die je toestaat, ga je leven vanuit dit, in plaats van ernaartoe. Dan zie je wat ik met dat tweede tekeningetje bedoel, waarop de pijlen naar buiten stralen. Als je de herkenning van het vanuit-Jezelf-stralende Licht helemaal gaat toestaan, als het ware van kruin tot voetzool, houdt de hele zaak op, alle kwesties van schuld en wraak. Alle inhoud, elk verhaal, moet namelijk nu nog pas beginnen. Je hebt de kleefkracht van karma zodanig onderbroken dat er nu een schoon blad voor je ligt – ook al is het eveneens waar dat je karmische inhoud, met alle emotioneel-gekleurde verhalen van vroeger, zich in een oogwenk weer kan melden. Vandaar dat het altijd aan te raden is om het herkennen van het Lege Kennen eventueel kort te laten zijn maar wel vaak te laten gebeuren.
Deze herkenning houdt ook een herkenning in van de afwezigheid van de ik-figuur. Hoe kort de herkenning ook moge zijn, het moet wel echt herkenning zijn. Een zien dat er uiteindelijk slechts ZIEN is. ‘Zien ziet zien’, noem ik het wel eens.
Dan besef je ook meteen dat dit wel degelijk de waarheid is, ook al kun je dit als persoon misschien nog niet helemaal waarmaken in je leven. Het is gewoon waar, hoe alle manifestatie zich verder ook zal aandienen.
Door deze waarheid te blijven herkennen als ‘meer waar’ dan de verhalen van de ik-figuur en ook meer waar dan de slingerende waarheden die ons via de media bereiken, zullen de verhalen gaandeweg afnemen, of in ieder geval de geloofwaardigheid ervan. Op deze manier leer je ook om om te gaan met deze eventueel nog opkomende ik-figuur.
Net zoals je kunt zien dat deze figuur, zodra je echt het licht erop laat vallen, verdwenen is, kun je ook de momenten herkennen als hij toch daarna weer opkomt; dat wil zeggen dat deze ‘onvindbare’ bruiloftsgast dan toch gewoon opnieuw verschijnt, en wel als een object van constant ziend en licht-schenkend Bewustzijn. Je leert zo om hem meer en meer als een object te zien, niet in de zin van een kille afstandelijkheid, maar als te onderscheiden van Jij die kijkt. Je hebt voor een moment daadwerkelijk gezien dat hij er niet is: je kunt dat ‘leegte’ noemen, een afwezigheid van fenomenen. En erna komt de ik-figuur toch op: dat wil zeggen dat in deze leegte zo maar een fenomeen optreedt. Je kunt dit gemakkelijk onderscheiden. Dit is ‘verschil’, heel eenvoudig.
Ik beschouw het als groots als je werkelijk ziet wie of wat je bent; je kunt dan zien dat een van de meest essentiële eigenschappen van je waarachtig-eigen natuur vrede is.[2] De ik-figuur bevat in het algemeen weinig vrede, maar Dat wat de ik-figuur ziet is altijd al in vrede en harmonie met zijn huidige object.
Dit betekent dat je nu, misschien wel voor het eerst, naar alle dagelijkse dingen en voorvallen kunt kijken zonder een filter of sluier. Sommige moderne mensen doen casual over dit punt, maar volgens mij is dat niet dienend. Dit herkennen van vrede en ongefilterdheid is namelijk uniek.
De schets die hier gegeven wordt, van eerst zien dat er niet iets te zien is en erna eerlijk erkennen dat (of ‘als’) er wel degelijk opeens een ik-figuur oprijst, noem ik ‘heilige volgorde’. Ik noem het heilig omdat het kijken vanuit het eerste gegeven, waar blijkt dat die ik-figuur werkelijk niet te vinden is, betekent dat je oog hebt voor Dat wat aan alle fenomenen voorafgaat, en daardoor ook oog voor het ‘begin’ van alle fenomenen, en dat je vervolgens kunt kijken vanuit deze afwezigheid, vanuit deze leegte. Wát er ook maar hierna kan verrijzen, dat is klein en kort vergeleken bij Zien-op-zich. Het kijken vanuit het lege Zien-op-zich beschouw ik als het meest betrouwbare dat er is. De term ‘heilig’ gebruik ik om aan te geven dat dit Zien zelf niet iets van een persoon is, en dat dit daarom vooraf moet blijven gaan aan de aandacht voor persoonlijke opwellingen.
Zodra je dit in praktijk brengt, maak je mee dat je ongefilterd naar andere mensen kunt kijken, zonder een gekleurde bril. Je ziet dat veel van wat je dacht te zien eigenlijk projecties zijn.
Je gelooft je projecties niet meer. De mens is dit in het algemeen niet gewend, vandaar dat ik dit uniek durf te noemen.
Ja, het is groots, dit Zien zelf, deze Bevrijder.
N.B.: dit artikel was oorspronkelijk op het blog Volle Cirkel geplaatst met een andere titel: ‘Over de heilige volgorde en het “nut” van non-dualistisch inzicht’.
NOTEN:
1. Het bruiloftsgast-verhaal staat in de Talks with Sri Ramana Maharshi (1955), Talk No. 612.
2. Vanuit dit zicht heb ik de Universele Verklaring van de Ware Natuur van de Mens kunnen schrijven. Daarin schets ik de mogelijkheid dat ieder mens leert kijken vanuit zijn ware natuur, die vrede genoemd kan worden. Downloaden is mogelijk via www.advaya.nl (bij ‘Artikelen’).